|
|
Het Chronisch Vermoeidheidssyndroom
Studie van cellulaire immuniteit bij patienten met en zonder bronchiale hyperreactiviteit -------------------------------------
Verhandeling aangeboden tot het behalen van de graad van Licentiaat in de lichamelijke opvoeding
Elke Brouns
Promotor Prof Dr.K.De Meirleir
1999
VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL HOGER LNSTITUUT VOOR LICHAMELIJKE OPVOEDING, MOTORISCHE REVALIDATIE EN KINESITHERAPIE.
Afdeling Lichamelijke Opvoeding Vakgroep Fysiologie, Prof Dr.K.De Meirleir
Dankwoord ---------
Alle tradities in acht genomen, wens ik iedereen te bedanken die mij tijdens mijn opleiding heeft bijgestaan en al dan niet actief heeft deelgenomen aan het tot stand komen van deze thesis.
Vooreerst gaat mijn dank en bijzondere waardering uit naar mijn promoter Prof Dr. Kenny De Meirleir en zijn assistente Pascale De Becker, die mij steeds met raad en daad hebben bijgestaan tijdens mijn onderzoek. Hun enthousiasme en kennis ter zaken hebben mijn interesse in dit domein opgewekt en hebben dit proefschrift gemaakt tot wat het nu is.
Tevens wens ik de medisehe staf van de afdeling sportgeneeskunde te Jette, te bedanken voor de steeds vriendelijke ontvangst en de inzet die ze toonden.
Tenslotte wens ik mijn ouders, mijn zus Inge en vriend Tom te bedanken voor het eindeloze geduld, de steun en de liefde in moeilijke momenten. Ze gaven mij het nodige doorzettingsvermogen en zelfvertrouwen om dit proefschrift tot een goed einde te brengen.
Schelle, mei '99 E. Brouns
Algemene inleiding ------------------
Wanneer we te maken krijgen met een persisterende vermoeidheid die uitmondt in fysieke en mentale uitputting en deze vermoeidheid en andere klachten en niet langer de initiele ziekte het klinisch beeld domineren spreekt men over het 'Chronic Fatigue Syndrome' (chronisch vermoeidheidssyndroom; CFS).
De aandocning is vermoedelijk niet nieuw, ze doet waarschijnlijk ruim honderd jaar de ronde, zij het onder l|chtjes wisselende gedaanten en onder de meest uiteenlopende benamingen. Het is een aanhoudende en complexe verstoring gekarakteriseerd door extreme moeheid. De oorzaak of oorzaken van CFS zijn nog niet geidentificeerd en er zijn geen specitieke diagnostische tests beschikbaar. Meer zelfs, omdat vele ziektes vermoeidheid als symptoom hebben, moeten andere gekende en vaak behandelbare aandoeningen uitgesloten worden, alvorens de diagnose van CFS gesteld kan worden. Algemeen maakt men gebruik van 'working case definitions' en moet de patient aan bepaalde criteria voldoen om de diagnose CFS te stellen.
Er zijn nog heel wat onzekerheden omtrent CFS maar de laatste jaren ontwikkelden zich belangrijke perspectieven in de richting van diagnose, opvolging en behandeling. Toch blijft de aandoening onvoldoende herkend en erkend. CFS patienten hebben evenveel recht op steun, wetenschappelijke inzet en sympathie als mensen die aan een andere ziekte lijden. Het niet kennen naar de oorzaak mag niemand weerhouden om te zoeken naar een efficiente behandeling en het helpen van deze patienten.
De afdeling sportgeneeskunde, van het academisch ziekenhuis te Jette, beschikt over ongeveer 700 CFS-patienten. Daar deze patienten geregeld op controle komen is de medisehe staf dus op de hoogte van de klachten, de evolutie en eventuele verbeteringen. Zo constateerden ze dat een groot gedeelte van de patienten bronchiale hyperreactiviteit ontwikkelden. Bij normale personen is long reactiviteit cen essentiele component van de homeostase. Wanneer deze respons overdreven is wordt het omschreven als bronchiale hyperreactiviteit (BHR) of hyperresponsiviteit. Daar BHR mee kan bijdragen tot de extreme vermoeidheid en het vroegtijdig stoppen met inspanningsproeven is het niet onbelangrijk om te achterhalen wat de oorzaak is van BHR bij CFS-patienten.
Omdat 1 van de mogelijke oorzaken van CFS een viraal aspect omvat en er verscheidene immunologische abnormaliteiten bij CFS-patienten werden vastgesteld, werd de hypothese gesteld dat bronchiale hyperreactiviteit mogelijk getriggerd wordt door een viraal mechanisme. Om dit na te gaan werd de cellulaire immuniteit onderzocht van CFS patienten met en zonder bronchiale hyperreactiviteit.
In het eerste deel van dit proefschrift wil ik een zo volledig mogelijk en objectief beeld schetsen van de literatuurgegevens die voorhanden zijn omtrent het begrip CFS, alsook over de immunologische afwijkingen die reeds gevonden werden bij deze patienten. Daarnaast wordt bronchiale hyperreactiviteit nader toegelicht en tracht ik aan te tonen dat deze BHR mogelijk gerelateerd is aan immunologische afwijkingen.
In het tweede deel wil ik op een wetenschappelijk verantwoorde manier een bijdrage leveren tot het onderzoek naar CFS, nml. 'het onderzoeken van de cellulaire immuniteit bij CFS patienten met en zonder bronchiale hyperreactiviteit'. Op deze manier wordt gepoogd een mogelijk, al dan niet oorzakelijk, verband aan te tonen voor bronchiale hyperreactiviteit bij CFS patienten.
Onderzoekers hebben verschillende visies en hanteren verschillende criteria omtrent het begrip CFS. Op allerlei gebieden wordt er gezocht naar mogelijke oorzaken en afwijkingen. Elke enderzoeker, arts, fysioloog tracht een oplossing te zoeken over het Hoe? en Waarom? van CFS. Er is m.a.w. nood aan duidelijke gegevens waarop men zich kan baseren om CFS op te sporen, te genezen en vooral te vermijden. Omdat er nog steeds te weinig geweten is over CFS zal elke wetenschappelijk onderzoek, onafhankelijk van een positief of negatief resultaat, zijn steentje bijdragen om uiteindelijk het tipje van de sluier te kunnen oplichten. Men kan eigenlijk elk onderzoek beschouwen als een bouwsteen van een piramide waarvan de top het antwoord is op CFS. Vanuit deze uitgangssituatie tracht dit proefschrift eveneens een bijdrage te leveren tot de oplossing van het complexe vraagstuk CFS.
INHOUDSTAFEL ------------
DANKWOORD ALGEMENE INLEIDING INHOUDSTABEL
DEEL 1: LITERATUURSTUDIE I. CHRONISCH VERMOEIDHEIDSSYNDROOM (CFS) 1. Inleiding 2. Wat is CFS a) Definitic b) Gelijkaardige medische aandoeningen c) Andere aandoeningen die mogelijk gelijkaardige symptomen kunnen veroorzaken d) Andere algemeen geobserveerde symptomen bij CFS patienten 3. Demografische gegevens 4. Mogelijke oorzaken van CFS 5. De diagnose van CFS a) Hoe stellen de dokters de diagnose CFS b) Routine tests voor de diagnose van CFS c) Psychologische/ Neuropsychologische testen d) Theoretische en experimentele testen 6. Behandelingsmogelejkheden a) Soorten behandelingen b) Fysieke activiteiten c) Psychologische therapieen 7. Psychologist he aspecten van het chronisch vermoeidheidssyndroom 8. Besluit
II. IMMUNOLOGISCRE BEVINDINGEN BIJ CFS-PATIENTEN 1. Het immuunsysteem 2. Inleiding 3. lmmunologische abnormaliteiten bij Belgisthe CFS-patienten 4. Conclusie III. BRONCHIALE HYPERREACTIVITEIT 1. Inleiding 2, Histamine 3. Bronchiale hyperreactiviteit a) Stimuli b) Metingen c) Mechanismen 4. Relatie met het imuunsysteem a) Immunologische factoren b) Cytokines c) Eosinofielen/neuropcptiden d) Inflammatie van de luchtwegen e) IgE en allergie 5. Besluit
DEEL 2: EXPERIMENTEEL PROEFOPZET I. SITUERING VAN DE EXPERIMENTELE PROEFOPZET II. PROBLEEMSTELLLNG Ill.DOELSTELLING IV. MATERIAAL EN METHODEN 1. Proefpersonen 2, Materiaal en methoden a) Immunofenotypering b) Histamine bronchoprovocatietest 1. Materiaalgebruik Histamine Metacholine 2. Testprotocol V. RESULTATEN VI. BESLUIT REFERENTIELIJST
Deel 1: Literatuurstudie ------------------------
I. Chronisch vermoeidheidssyndroom (CFS) ------------------------------------------
1. Inleiding --------------
Bijna een kwart mensen klaagt over vermoeidheid. Het blijkt dat een derde van de populatie die een arts opzoeken zich moe voelen. In de meerderheid van de gevallen verdwijnt deze vermoeidheid wanneer de patient herstelt van zijn acute ziekte. Soms persisteert deze echter en mondt ze uit in fysieke en mentale uitputting en gaat de vermoeidheid en andere specifieke klachten, en niet langer de initele ziekte, het klinisch beeld domineren. In dit laatste geval spreekt men over het 'Chronic Fatigue Syndrome' (CFS; chronisch vermoeidheidssyndroom).
Hoewel CFS slechts de laatste 10 jaar uit het duister komt, is het vermoedelijk geen nieuwe aandoening. Ze doet waarschijnlijk al ruim honderd jaar de ronde, zij het onder lichtjes wisselende gedaante en onder de meest uiteenlopende benamingen. Er bestaat een grote overeenkomst met o.m. neurasthenie. Eind negentiende eeuw werd neurasthenie (nerveuze uitputting) als eon nieuwe, zich uitbreidende en alarmerende ziekte beschouwd. Ze werd gekenmerkt door uitgesproken fysieke en mentale vermoeidheid, nerveuze dyspepsie, gemoedsschommelingen en aanhoudende spierzwakte na inspanning. De ziekte tastte hardwerkende professionelen aan maar ook handarbeiders en thuiswerkende vrouwen. Door gebrek aan gestandaardiseerde criteria of objectieve bevindingen bleef neurasthenie een uitsluitingsdiagnose en een kapstok voor alle mogelijke diagnostisohe mislukkingen. Elke deskundige zocht de schuld bij een ander micro-organisme, tot ze het er uiteindelijk over eens raakten dat welke ziekteverwekker dan ook een toestand van chronische uitputting kon veroorzaken, vooral in combinatie met depressie of stress.
De laatste 70 jaar zijn er eon aantal kleine epidemieen geweest die voornamelijk gekenmerkt werden door vermoeidheid. Deze werden epidemische neuromyasthenie en/of benigne myalgische encefalomyolitiseb genoemd en troffen vooral ziekenhuispersoneel. Deze epidemieen vonden plaats in Los Angeles County Hospital in 1934, in Florida in 1936, in de winter van 1948-1949 in Akureyn/Noord Ijsland en in het Royal Free Hospital te London in 1955. Ze hadden allen gemeenschappelijke symptomen 1) een acute fase met lichte koorts, hoofdpijn, keelpijn, spierpijn, malaise, 2) persisterende fysieke en mentale vermoeidheid, gemoedsschommelingen, en slaapstoornissen, 3) geen abnormale laboresultaten, 4) geen mortaliteit.
Deze epidemieen hebben aanleiding gegeven tot een aantal verwarrende benamingen, waaronder "epidemische neurasthenie" (USA), "Tapanui flu " (Nieuw Zeeland) en "Royal Free disease" (Groot-Britanie) en zelfs de "denigrerende" media term "Yuppie flu ". De ongelukkige naam " Myalgic Encephalomyelitis" werd voor het eerst gebruikt in 1956 toen driehonderd van de drieduizend vijfhonderd personeelsleden van de Royal Free Hospital teaching Group in Londen door een epidemie van polio-achtige encefalomyelitis getroffen werden. Recent is de term "Post-Viral Fatigue Syndrome" (PVFS) synoniem geworden aan "Myalgic Encephalomyelitis".
In de Verenigde staten worden de benamingen "Chronic Fatigue Immune Dysfunction Syndrome" en "Chronic Fatigue Syndrome with Encephalomyelitis" gebruikt om eenzelfde symptomencomplex te beschrijven. In Japan refereert men vaak naar "Low Natural Killer Syndrome". Vele medici gebruiken liever de term "Chronic Fatigue Syndrome ", omdat deze term noch refereert naar etiologie noch naar fysiopathologie. "Chronic Fatigue" daarentegen is zeker geen synoniem voor de aandoening waar we het hier over hebben
2. Wat is CFS ---------------
Het "Chronic Fatigue Syndrome"of kortweg CFS, is een aanhoudende en complexe verstoring gekarakteriseerd door extreme moeheid, die niet verbetert door bedrust en zelfs kan verergeren bij fysieke of mentale activiteit. Personen met CFS moeten dikwijls op een lager activiteitenniveau functioneren dan voor de aanvang van de ziekte. Andere niet-specifieke symptomen die CFS karakteriseren zijn: keelpijn, pijnlijke adenopathieen, zwakheid, subjectieve koorts, spierpijn, verminderd geheugen en/of mentale concentratie, verwarring, insomnia en vermoeidheid na inspanning, die langer dan 24 uur aanhoudt. In sommige gevallen kan de ziekte jaren duren. De oorzaak of oorzaken van CFS zijn nog niet geidentificeerd, en er zijn geen specifieke diagnostische tests bescbikbaar. Meer zelfs, omdat vele ziektes vermoeidheid als symptoom hebben, moeten andere gekende en vaak behandelbare aandoeningen uitgesloten worden, alvorens de diagnose van CFS gesteld kan worden.
a) Definitie --------------
In 1994 is er een internationaal panel van onderzoekexperten samengekomen om een definitie te bepalen van CFS. Deze zou nuttig zijn voor zowel researchers, die de ziekie onderzoeken als voor de medici die de diagnose moeten stellen. Omdat er geen diagnostische test bestaat voor het syndroom is de huidige definitie enkel gebaseerd op tekens en symptomen. De definitie classificeert personen met hetzelfde ziektebeeld; zo kunnen personen met een minder ernstige vorm van het syndroom of met minder karakteristieke klinische kenmerken uitgesloten worden. Voor CFS zijn er een aantal "working case definitions" opgesteld de Australische-, de Oxford-, en de CDC-criteria. Deze vormen bijna continu het onderwerp van discussie en zullen in de toekomst waarschijnlijk nog aangepast moeten worden. Algemeen, om de diagnose CFS te stellen, moet de patient voldoen aan volgende twee criteria (Fukuda, Straus, et al. 1994}
* de vermoeidheid moet 6 maanden of langer aanwezig zijn, waarbij andere gekende aandoeningen uitgesloten werden door klinische onderzoeken; en * de patient dient via of meer van de volgende symptomen te hebben: voortdurende verstoring van het korte termijn-geheugen of concentratie; keelpijn; pijnlijke lymfenodi; spierpijn; arthralgie zonder zwelling of roodheid; hoofdpijn van een nieuw type, patroon of hevigheid; niet-recupererende slaap; en een algemene malaise na inspanning die langer dan 24 uur duurt. De symptomen moeten aanhouden, of regelmatig optreden gedurende 6 of meer opeenvolgende maanden van ziekte en mogen de ziekte niet voorafgaan.
b) Gelijkaardige medische aandoeningen ----------------------------------------
Verscheidene ziekten, met een gelijkaardig spectrum van symptomen, werden reeds besehreven. Deze omvatten fibromyalgie, myalgic encephalomyclitis, neurasthenie, "multiple chemical hypersensitivity" en chronische mononucleosis. Alhoewel deze ziekten een ander symproom dan vermoeidheid als hoofdklacht kunnen hebben, zijn ze in het algemeen geassocieerd met vermoeidheid.
c) Andere aandoeningen die mogelijk gelijkaardige symptomen kunnen veroorzaken --------------------------------------------------------------
Er zijn ook een groot aantal klinisch gedefinieerde, behandelbare ziekten die kunnen resulteren in vermoeidheid. De diagnose van een van deze aandoeningen zou CFS uitsluiten, tenzij de ziekte voldoende behandeld is geweest en niet langer meer de vermoeidheid en andere symptomen verklaart. Deze omvatten o.a. hypothyroydie, slaapapneu en narcolepsie, zware depressies, schizofrenie, eetstoornissen, kanker, autoimmuun ziekten, hormonale verstoringen, subacute infecties, obesitas, alcoholmisbruik en reactie op voorgeschreven medicatie.
d) Andere algemeen geobserveerde symptomen bij CFS patienten --------------------------------------------------------------
Naast de acht belangrijkst omschreven symptomen van CFS, zijn er nog een aantal andere symptomen gerapporteerd bij sommige van de patienten. Het gaat om buikpijn, alcohol intolerantie, pijn in de borststreek, chronische hoest, diaree, duizeligheid, droge ogen of mond, oorpijn, onregelmatige hartslag, kaakpijn, ochtendstijfheid, misselijkheid, nachtelijk zweten, psychologische problemen (secundaire depressie, prikkelbaarheid, angst, paniek aanvallen), kortademigheid, gevoeligheid van de huid, paraesthesien en gewichtsverlies.
3. Demografische gegevens ---------------------------
Verschillende studies bestudeerden de distributie en de frequentie van voorkomen van CFS. Veel voorkomende vragen zijn: Hoe vaak komt de ziekte voor? Welke individuen zijn het meest ontvankelijk om de ziekte te ontwikkelen? Kan het overgedragen worden op anderen? Hoe evolueert de ziekte?
Volgens recente studies ligt de prevalentie van deze aandoening rond de 1 a 2/1000, met een piekincidentie tussen 20-40 jaar. Het kan bij beide geslachten voorkomen, met een licht overgewicht bij vrouwen. Bij kinderen werd CFS geconstateerd vanaf de leeftijd van 7 jaar. Het komt voor in alle socio-economische groepen, maar meer in het onderwijs en in medische/ paramedische beroepen (Dowsett 1990; Hinds 1993; Ho-Yen 1991).
Is CFS besmettelijk ? Bij elke besmettelijke ziekte vorntt een micro- organisme de oorzaak. Nauwkeurige controle studies van geklassificeerde CFS-patienten en controle personen, vonden geen associatie tussen CFS en een groot aantal menselijke ziekteverwekkers. Meer algemeen konden geen van de gedragsmatige karakteristieken, typisch voor besmettelijke ziekten, zoals intraveneus druggebruik, contact met dieren, gemaakte reizen of sexueel gedrag geassocieerd worden met CFS. Daarom lijkt het onwaarschijnlijk dat CFS overdraagbaar is. Desondanks wordt de mogelijkheid dat infectieuze agentia betrokken zijn bij de ontwikkeling van CFS, niet uitgesloten.
Het klinische ziektebeeld varieert sterk onder de patienten met CFS. Het werkelijke percentage van patienten, dat volledig hersteld is, is onbekend en de definitie van wat als hersteld moet beschouwd worden vormt nog steeds een onderwerp van discussie. Sommige patienten vinden dat ze hersteld zijn vanaf het moment dat ze opnieuw kunnen gaan werken, ondanks dat ze nog af en toe symptomen van CFS ervaren. Anderen herstellen volledig en nog anderen zien bun toestand voortdurend achteruitgaan. Meestal volgt CFS een weerkerende cyclus, schommelend tussen perioden van ziekte en relatief symptoomloos zijn.
4. Mogelijke oorzaken van CFS -------------------------------
Wat betreft de pathogenese van CFS is het van groot belang onderscheid te maken tussen de factoren die de klachten deden ontstaan en deze die de klachten in stand houden. Er is op verschillende domeinen gezocht naar een mogelijke trigger van CFS maar de oorzaak of oorzaken van CFS zijn nog steeds onbekend, Van een aantal micro-organismen is gekend dat ze een CFS-like syndroom kunnen veroorzaken. Dit zijn o.m. hepatitis B, hepatitis C, mycobacterium tuberculosis, EBV, HHV-6 en HIV. Andere patienten ontwikkelen CFS na acute infectie met influenza, brucellosis, lyme disease en chlamydia pneumonia. Acute infecties veroorzaken belangrijke fysiologische stress wat resulteert in neuroendocriene veranderingen die op hun beurt een uitwerking hebben op het welzijn van de patient.
Behalve infectieuze factoren zijn er waarschijnhijk nog andere elementen die het op dit moment nog onbekende pathogenetisch mechanisme triggeren. De meest frequent geopperde etiologieen zijn psychiatrische ziekten zoals depressies of psychoneurosen, die door een infectie meer uitgesproken worden en waar de infectie dan gebruikt wordt als een mogelijke uitleg voor de symptomen. Psychologische problemen, alhoewel belangrijk, bleken echter onvoldoende om de ontwikkeling van CFS te verklaren (Lloyd et al. 1992). Een recentere hypothese is dat CFS het gevolg is van immunologische dysfunctie(s), zoals o.a. onregelmatige produktie van cytokines of een gewijzigde capaciteit van bepaalde immunologische functies (hierover ineer in deel II). Het centraal zenuwstelsel, het endocrien- en het immuunsysteem zijn nauw met elkaar verbonden. Verstoringen van de integriteit van dit complex kan belangrijke implicaties hebben voor de 'outcome' van de ziekte.
Demitrack et al. (1991) toonden subtiele neuroendocriene abnormaliteiten aan ter hoogte van de hypothalamus-hypofyse-bijnier as, met als gevolg een bijnierhyporesponsiviteit. Zijn werkhypothese verklaart op welke manier factoren zoals infectie, fysieke of emotionele stress en psychiatrische ziekten uiteindelijk kunnen convergeren t.h.v. het centraal zenuwstelsel en resulteren in het klinisch syndroom CFS (Demitrack 1994). De REM slaap is normaal bij CFS patienten en afwijkend bij depressie. Bovendien stelt men bij CFS een toename vast van het percentagestadium 4 slaap, samen met een uitgesproken toename aan delta slaap. Deze slaapstoornissen kunnen verklaard worden door persisterende immuunactivatie en cytokine release, mogelijk secundair aan een verminderde regulatie door de hypothalamus-hypofyse- bijnier as; of misschien door een chronische activatie van het zenuwstelsel ( meer specifick in het limbisch systeem). Een slaapstoornis moet indien mogelijk nagekeken worden daar een primaire slaapstoornis de oorzaak van chronische vermoeidheid kan zijn, en als zodanig dient behandeld te worden.
Een huidige populaire hypothese is de volgende een ongewone reactie op een infectieus agens, waarschijnlijk door een immuundysfunctie, resulteert in een chronisch of intermittent actieve ziekte. Hierdoor ontstaat een verlengde respons van mononucleaire cellen die cytokines zullen produceren zoals IL-1, TNF en interferon. Deze cytokines maken deel uit van de normale afweermecbanismen bij inflammatoire processen en invaderende organismen. Zij kunnen verantwoordelijk zijn voor een aantal symptomen zoals koorts, fatigue, verwardheid, enz. De overdreven cytokine secretie zou dan uiteindelijk getriggerd kunnen worden door een repetitieve stimulus infecties of stress. Uiteindelijk zou stress alleen al voldoende kunnen zijn om dergelijk antwoord te induceren.
Deze hypothese legt alleszins een mechanisme uit waarbij de immunologische afwijkingen, de diverse infecties, de inflammatoire processen en de psychologische factoren verklaard worden als een onderdeel van de complexe, mysterieuze en controversiele aandoening gekend als CFS.
Misschien gaat het hier om een nieuw complex cytokine netwerk (Fekety 1994).
5. De diagnose van CFS ------------------------
a) Hoe stellen de dokters de diagnose: CFS --------------------------------------------
Indien een medicus vaststelt mogelijk met CFS te maken te hebben dienen tal van onderzoeken uitgevoerd te worden, om van CFS in strikte zin te kunnen spreken. Wanneer de vermoeidheid dus plots is opgetreden bij een voordien gezond persoon, de activiteit gehalveerd is en men tenminste vier van de acht eerder genoemde symptomen waarneemt zijn verdere onderzoeken aangewezen. De eerste stap is dan de volledige, gedetailleerde medische achtergrond van de patient na te gaan patient en een grondig lichamelijk onderzoek af te nemen. Een serie van gestandaardiseerde laboratoriumtests, zoals bloed- en urineafname, zullen uitgevoerd worden om andere mogelijke oorzaken van de ziekte uit te sluiten. Wanneer de testresutaten een alternatieve verklaring suggereren voor de symptomen van de patient dan kunnen bijkomstige tests uitgevoerd worden om die mogelijkheid te bevestigen. Als er geen oorzaak gevonden wordt voor de symptomen, mag de dokter de diagnose van CFS overwegen, als eveneens aan de voorwaarden van de 'case-definition' voldaan wordt. De diagnose van ideopathische chronische vermoeidheid kan gesteld worden wanneer de patient vermoeid is geweest gedurende 6 maand of langer, maar uitgesloten wordt door de criteria van symptomen voor CFS.
b) Routine tests voor de diagnose van CFS -----------------------------------------
Wanneer een vermoeidheid langer dan 6 maand aanhoudt of het beroepsmatig leven of huishoudelijk werk verhindert, is een bloedafname gerechtvaardigd voor het opsporen van een onderliggende aandoening.
Hoewel nict al deze testen zeer sensitief zijn voor organische pathologie, noch specifiek zijn voor een bepaalde ziekte, kunnen ze toch gebruikt worden voor screening. De verschillende immunologische, neurologische en virologische testen zijn niet geschikt voor routine. De anamnese van de patient moet o.a. vragen naar medische aandoeningen die chronische vermoeidheid kunnen veroorzaken. Uitgebreide testing voor alle condities is zeker niet aangewezen. Alleen deze aandoeningen gesuggereerd door anamnese of klinisch onderzoek moeten gescreend worden.
Door de toegenomen interesse in CFS worden talloze laboratoriumstudies uitgevoerd, allen noodzakelijk en tijdrovend, maar niet onmiddelijk contributief in de diagnose van CFS.
Tevens moeten men er rekening mee houden dat 1) sommige patienten, hoewel ze beantwoorden aan de CDC criteria, andere pathologieen hebben, 2) de indicatie voor het uitvoeren van de testen niet altijd duidelijk gesteld is, vaak gaat het om zeer specifieke omstandigheden, niet altijd representatief voor CFS, 3) de bloedafname gebeuren op een bepaald punt in het verloop van de ziekte die misschien fluctueert in tijd, 4) elk labo gebruikt zijn eigen methode, er is geen standaardisatie, 5) vaak is er een gebrek aan een controle groep.
c) Psychologische/ Neuropsychologische testen -----------------------------------------------
Een klassieke neuropsychologische evaluatie onderzoekt de motorische coordinatie en kracht, de eenvoudige sensariele functie, het algemeen intellectueel functioneren, de informatieverwerkingssnelheid, het geheugen en de gemoedstoestand van de patient. De resultaten worden vergeleken met toepasselijke normen en een profiel wordt opgesteld. Neuropsychologische evaluaties kunnen bij CFS patienten nuttig zijn als hulpmiddel om neurologische klachten te interpreteren en kunnen als maatstaf dienen om klinische veranderingen te beoordelen.
Toch dienen de resultaten met enige voorzichtigheid en terughoudendheid te worden geinterpreteerd. Neuropsychologisohe evaluaties kunnen immers beinvloed worden door bepaalde factoren die niet meetbaar of controleerbaar zijn. Ook de omstandigheden waarin de testafname plaatsvindt kunnen een groot verschil maken.
Tenslotte zijn testresultaten niet noodzakelijk representatief voor de ernst van de cognitieve klachten in het dagelijks leven.
d) Theoretische en experimentele testen ---------------------------------------
Andere experimentele test om de diagnose van CFS te stellen zijn de 'tilt-table' test voor NMH ( neuraal gemedieerde hypotensie) en beeldvormingstechnieken zoals NMR (nucleaire magnetische resonantie), EEG (elektroencefalogram}, PET (position emission tomography), SPECT (single photon emission computed tomography).
Dankzij deze laatste twee kan men een groot aantal variabelen bepalen zoals regionale bloeddoorstroming, glucoseverbruik, pH enz. Deze parameters laten toe in bepaalde omstandigheden specifieke afwijkingen te diagnostiseren. SPECT en PET worden meer en meer gebruikt voor de evaluatie van neurologische en psychiatrische stoornissen. Ze blijken ook zeer bruikbaar te zijn bij het identificeren van nog niet aangetoonde hersenabnormaliteiten en neuropsychiatrische stoornissen waarvan het mechanisme nog niet gekend is. Daarom heeft de SPECT-scan een zekere waarde bij het op punt stellen van CFS, het is bruikbaar voor het zoeken naar een neurologische marker voor CFS.
De waarneembare afwijkingen bij CFS zijn verspreide regio's van corticale hypoperfusie meer uitgesproken t.b.v. frontale, parietale en occipitale regio's. (Mayberg 1996)
6. Behandelingsmogelijkheden ------------------------------
Vermits we hier te maken hebben met een aandoening waarvan het juiste fysiologische mechanisme nog onbekend is zijn or twee behandelingsstrategieen.
1. therapieen die gericht zijn tegen vermoedelijke onderliggende pathafysiologische mechanismen, en/of 2. symptomatische therapieen
Doordat het klinische ziektebeeld van CFS voortdurend verandert, is het voor de arts bijzonder moeilijk om een behandeling in te stellen. Het is daarom beter voor elke patient afzonderlijk een geindividualiseerde therapie voor te schrijven, omdat niet iedereen baat heeft bij eenzelfde behandeling.
a) Soorten behandelingen --------------------------
- Bebandeling van mogelijke chronische virale infecties (Rozenberg & Apponzellero 1988; Straus et al. 1988) - Behandeling van mogelijke immunologische dysfunctie(s) (Behan & Behan 1988; Ganty & Holmes 1989; Salvato & Thompson 1996; Shepard 1989) - Behandeling van een mogelijk cellulair defect (Chaudhuri et al. 1998; Watson et al. 1997) - Behandeling van een mogelijk cholinorgisch defect in CFS (Snorrason et al. 1996) - Behandeling van verhoogde RnaseL activiteit in CFS (Suhadolnik et al. 1997) - Symptomatische behandeling van specifieke klachten
Geleidelijk aan komen trigger-mechanismen naar voren, die toelaten patienten in subgroepen onder te verdelen. Op basis hiorvan zullen rationele therapieen kunnen uitgewerkt worden op basis van gecantroleerde klinische studies die objectieve parameters gebruiken inzake activiteit van ziekte en respons op de behandeling.
b) Fysieke activiteiten -----------------------
Rust wardt doorgaans alleen nog in het begin voorgeschreven, als de patient nog met een acute infectie vecht. Fysieke inspanning leidt vaak tot verergering van de symptomen, voornamelijk dan spierpijn on spierzwakte. Soms leidt dit tot een vermijdingsgedrag van fysieke activiteit, waardoor de vermoeibaarheidsdrempel steeds verder daalt. CFS-patienten hebben een verminderde inspanningscapaciteit gassocieerd met een vertraagde hart- versnelling en grotere spiervermoeidheid (Montague et al. 1988). Ook word aangetoond dat CFS-patienten een lagere hartfrequentie hebben bij een bepaald inspanningsniveau in vergelijking met gezonde controles. Dit kan te wijten zijn aan een verstoorde autonome dysfunctie. Een parasympatische dysfunctie zou een mogelijke verklaring zijn voor de vermoeidheid en (fysieke) uitputting na inspanning (Sista et al. 1995). Een centrale dysfunctie kan aan de basis liggen van deze zwakke arbeidscapaciteit (Kont-Braun et al. 1993; Lloyd et al. 1988; Wang et al. 1992).
Artsen adviseren ongewone fysieke of emotionele stress te vermijden. Een gewone, dagelijkse routine helpt om het "crash-fenomeen" te voorkomen. Dit wordt meestal gekenmerkt door een overmaat aan activiteit tijdens de periode dat de patienten zich beter voelen, gevolgd door een terugval van de symptomen, mogelijk uitgelokt door deze uitbundigheid. Ze raden dan ook aan gedoseerd activiteiten te ondernemen, waarbij een geleidelijke opbouw van activiteiten gekoppeld aan een tijdschema de voorkeur verdient boven een koppeling van activiteiten aan de mate van moeheid. De patient moet zelf ondervinden waar zijn grenzen liggen en die progressief en heel geleidelijk verschuiven.
c) Psychologische therapieen ------------------------------
Sommige patienten vinden steun door in contact te komen met andere patienten, die aan dezelfde aandoening lijden. Ze kunnen ervaringen uitwisselen, elkaar moed toespreken en zijn meestal het middel om te blijven geloven in een mogelijk herstel. Sommige psychotherapieen, zoals cognitieve gedragstherapie blijken een positieve waarde te hebben. Ze zijn primair gericht op het verbreden van de ziektevoorstelling en op het vergroten van het gevoel van controle. Anderen zien hulpgroepen dan weer als een bijkomende last, het zou de stress verhogen i.p.v. enige verlichting te creeren.
7. Psychologische aspecten van het chronisch vermoeidheidssyndroom --------------------------------------------------------------------
Het lijden aan CFS brengt een hele reeks veranderingen en problemen teweeg in het leven van de patient, zoals werk- en relatieproblemen, veranderingen van sociale status, het maken van toekomstplannen, onzekerheid en veranderingen van zelfbeeld en eigenwaarde.
De patient moet leren leven met een ziekte die talrijke beperkingen veroorzaakt en waarover op medisch vlak nog vele vragen onbeantwoord blijven. Een eenduidige oorzaak wordt niet gevonden, het verloop is chronisch en onvoorspelbaar en de behandelingsmogelijkheden zijn beperkt en nog met onzekere toekomst.
Hoewel alle patienten hiermee geconfronteerd worden, kan de ervaring van de ziekte naargelang de patient erg verschillend zijn. Uit onderzook blijkt dat individuele opvattingen en ideeen over de ziekte en de wijze waarop de patient probeert de problemen die de ziekte met zich meebrengt te hanteren (coping) het functioneren en welbevinden van de patient in belangrijke mate bepalen (Heijmans 1998).
Daar de invloed van de houding en het gedrag van de partners of naasten op het welbevinden van de patient niet te onderschatten is, is het ook belangrijk hieraan aandacht te besteden. CFS patienten voelen zich het meest gesteund door een partner die de ernst van de ziekte erkent, maar tegelijkertijd hoopvol blijft over mogelijk herstel (Heijmans 1998).
Daar het geen gemakkelijke opdracht is dagelijks met een chronische ziekte te leven, blijken groepssessies en zelfhulpgroepen voor partners om te leren leven met een zieke partner, een goede invalshoek en een hoopvol alternatief.
8. Besluit ------------
Speculaties en controversies zullen CFS blijven omringen. Doordat CFS geen duidelijke ziekte-entiteit heeft, zijn er geen objectieve symptomen- criteria waaraan de arts zich kan houden bij het stellen van een diagnose. Wat voor de ene arts duidelijk CFS is, wordt door de andere als een psychosomatische stoornis, een conversie (de uitdrukking van een psychisch conflict in lichamelijke verschijnselon) of als een verdoken depressie geidentificeerd.
Zijn de symptomen het gevolg van een persisterende virale infectie en/of een "upregulatie van het enzymsysteem"? Kunnen neurotoxines ( by. pesticiden) eveneens het syndroom uitlokken? Woeke anomalieen van de verschillende orgaansystemen zijn echt relevant en kunnen deze bevindingon bevestigd worden door andere onderzoekers? In welke mate beinvloeden psychologische en emotionele factoren het therapeutisch resultaat? Spelen genetische en/of omgevingsinvloeden een rol bij de 'outcome' van deze ziekte ?
Ondanks al deze onzekerheden, is er de laatste jaren een belangrijke vooruitgang geboekt op het gebied van diagnose, opvolging en behandeling. Toch blijft de ziekte onvoldoende herkend en erkend. Patienten die aan deze raadselachtige ziekte lijden moeten vaak hun levensstijl drastisch veranderen. Dit betekent dat de patienten hun prioriteiten zullen moeten herzien en moeten leren hun fysieke en mentale grenzen niet te overschrijden. Dit omvat veelal een proces van vallen en opstaan. Zo voelen zich vaak onbegrepen en uitgesloten omdat velen van hun vragen onbeantwoord blijven. Ze hebben recht op een eenvoudige verklaring van wat er 'mis' is, waarom ze altijd moe zijn en zich onwel voelen.
Een zekerheid is wel dat CFS bestaat en dat de aandoening soms zeer ernstig en invaliderend kan zijn. Daarom hebben CFS patienten evenveel recht op steun, wetenschappelijke inzet en sympathie als mensen die aan een andere ziekte lijden. Het niet kennen van de oorzaak van dit syndroom, mag niemand weerhouden om te zoeken naar een efficiente behandeling en het helpen van deze patienten. Een ziekte zoals astma, waarvan de oorzaak ook niet helemaal duidelijk is, wordt toch ook min of meer efficient behandeld.
Ondanks de interesse die er gegroeid is uit de talrijke studies blijft het toch nog de vraag hoe al deze bevindingen moeten geintorpreteerd en geintegreerd worden. Om op dergelijke vragen een antwoord te krijgon is er nood aan de ontwikkeling van een gestandaardiseerde batterij voor instrumenten, laboratoriumstudies, methoden en het verzamelen van gegevens. Deze benadering zal replicatie van onderzoeken toelaten op en groot aantal domeinen.
II. Immunologische bevindingen bij CFS patienten ---------------------------------------------------
1. Het immuunsysteem ----------------------
Mensen komen voortdurend in contact met uitwendige agentia, die schadelijk kunnen zijn als ze op een of andere manier het lichaam binnendringen.
Om zichzelf te beschermen bezit de mens daarom talrijke verdedigings- mechanismen. Deze kan men onderverdelen in niet-specifieke en specifieke verdedigingsmechanismen. Tot de niet-specifieke verdedigingsmechanismen behoren de huid, muceuse membranen, fagocytose, inflammatie en koorts. Daarnaast beschikken we over een aangeboren weerstand tegen bepaalde ziekten. Bijvoorbeeld, alle mensen zijn resistent tegen vele dierlijke infectieuze ziekten. Desondanks verschilt de weerstand tegen menselijke ziekten, zoals mazelen, van persoon tot persoon. De weerstand van een individu is afhankelijk van de genen, de leeftijd, nutritionele status en de algemene gezondheid.
In tegenstelling tot weerstand is immuniteit een specifiek verdedigings- mechanisme. Wanneer vreemde organismen of substanties een gastheer binnendringen treedt bet immuunsysteem in werking. Het herkent deze substanties als niet-eigen aan het lichaam en ontwikkelt hiertegen een immunologisehe respons. Organismen of substanties, die zo een antwoord uitlokken noemt men antigenen. De immunrespons omvat de productie van gespecialiseerde lymfocyten en speciale proteinen, antilichamen genoemd. Zowel de gespecialiseerde lymfocyten, meer specifiek de B-cellen en T-cellen, als de antilichamen zijn specifiek gericht tegen die antigenen die hun formatie veroorzaakten en kunnen deze vernietigen of inactiveren als ze opnieuw het lichaam binnendringen. Invaderende organismen kunnen pathogene bacterien, virussen, fungi, protozoa en helminten zijn alsook vreemde materialen zoals pollen, het gif van insecten en getransplanteerd weefsel. Lichaamscellen die door kanker getroffen worden, worden ook als vreemd herkend en kunnen aldus mogelijk geelimineerd worden. Het immuunsysteem is essentieel om te overleven, maar kan ook schadelijk zijn wanneer het verstoord wordt.
Het immuunsysteem bestaat uit twee grote componenten, het humorale immuun systeem en het celgemedierde immuun systeem. Beide systemen werken zowel gescheiden als tesamen om ons te beschermen tegen ziekten.
Humorale immuniteit -------------------
Humorale immuniteit omvat de produktie van antilichamen door B-cellen of B-lymfocyten. De antilichamen of immuunglobulinen zijn proteinen die aangemaakt worden als antwoord op een antigeen en kunnen dit antigeen herkennen en ermee binden. In het algemeen herkennen en werken antilichamen in op specifieke gebieden van het antigeen, antigenetische determinanten of epitopen genaamd. Antilichamen zijn zeer specifiek, ze kunnen slechts met 1 enkel type van antigene determinanten binden.
Elk antilichaam bezit tenminste twee identieke bindingssites die binden met deze antigene determinanten. Een antilichaam met twee identieke bindingssites wordt een monomeer genoemd. Fen monomeer antilichaam is meestal Y-vormig en bezit 2 identische zware ketens (Heavy chains) en 2 identische lichte ketens (Light chains); (light en heavy wijst op het relatief moleculair gewicht). De ketens zijn verbonden door disulfide bruggen. Zowel de lichte als de zware keten hebben stukjes die gelegen zijn op het uiteinde van de armen van de Y. Dit noemt men de variabele gedeelten. Het variabel gedeelte van de lichie keten samen met het variabel gedeelte van de zware keten vormen de antigeen bindingssite. De stam van de Y vormt het constante gedeelte.
Er zijn 5 immuunglobuline klassen afhankelijk van de eigenschappcn van hun zware ketens. Ze worden omschreven als LgG, LgM, IgA, IgD en LgE en elke klasse speelt een verschillende rol in de immunlogische respons.
Het eerste contact met een antigeen geeft een kleine verhoging van de titer. Dit is de hoeveelheid antilichamen in het serum van een individu. Dit noemt men de primaire respons. De secundaire respons, ook wel geheugen of anamnetische respons genoemd is de differentiatie van de geheugen-cellen in antilichaam-producerende cellen, bij blootstelling aan hetzelfde antigeen. Deze geheugen-cellen worden eveneens geproduceerd door de B-ccllen en zijn dus werkzaam op lange termijn.
Cel-gemedieerde immuniteit --------------------------
Cel-gemedieerde immuniteit omvat de produktie van gespecialiseerde lymfocyten, T-cellen genaamd. Ze gebruiken, evenals B-cellen antigeen-receptoren om te reageren tegen vreemde organismen of weefsels. Ook sommigen van de geactiveerde T-cellen worden geheugen-cellen. Deze vormen een basis voor de secundaire immuunrespons. T-cellen reageren niet op vrij circulerende antigenen. Ze werken enkel in op intracellulaire antigenen, die op specifieke wijze gepresenteerd worden door geifecteerde en gefagocyteerde cellen. Als respons hierop prolifereert en differentieert de geactiveerde T-cel in gespecializeerde effector cellen. Er zijn verschillende soorten effector cellen: de helper T-cel(Th), de cytotoxische T-cel(Tc), de hypergevoelige T-cel(Td) en de suppressor T-cel(Ts). Rijpe T-cellen kunnen geidentificeerd worden door hun karakteristieke oppervlakte moleculen. Een andere klassificatie van de T-cellen is gebaseerd op her type van oppervlakte receptor, CD genaamd. Bijvoorbeeld CD4 en CD8 zijn twee types van receptoren. CD4 zal boofdzakelijk op helper cellen voorkomen, daar waar CD8 zowel op cytotoxische als suppressor cellen terug te vinden is.
Tenslotte communiceren de cellen van immuunsysteem met elkaar door middel van oplosbare chemische messengers, cytokines genaamd. De huidige overeenkomst is de cytokines te benoemen naargelang hun biologische activiteit totdat de opeenvolging van hun aminozuren bekend is. Ze kunnen omschreven worden als een interleukine, een naam die gekozen is om de communicatie tussen witte cellen te beschrijven. Zo heeft men interleukine- 1, interleukine-2 enz...
2. Inleiding --------------
Een aanvaarde hypothese in de etiologie van CFS is dat deze ziekte veroorzaakt wordt door een infectueuze trigger. Dit idee kwam tot stand omdat symptomen van CFS patienten sterk gelijken op deze veroorzaakt door een virale infectie. Een daaropvolgende chronische activatie van het immuun systeem zou vervolgens kunnen leiden tot CFS.
Mogelijke infectieuze agentia die verondersteld worden betrokken te zijn bij CFS zijn het Epstein-Barr virus (Jones et al. 1985; Holmes et al. 1987), Coxsackie B virus (Miller et al. 1991), human herpes virus-6 (Buchwald et al. 1992) (Straus 1993a) en retrovirussen (DeFreitas et al. 1991). Wessely et al. (1995) toonde, in een nauwgezette prospectieve studie aan, dat veelvoorkomende infecties in eerste instantie (bacterieel, viraal) uitgesloten konden worden als etiologische agentia van CFS, evenals hepatitis C (Dale et at. 1991).
Omdat men er tot nu toe nog niet in geslaagd is om een specifiek micro- organisme als oorzakelijke factor aan te tonen is de aanwezigheid van immunologische abnormaliteiten, mogelijk als reactie op het oorzakelijk agens een belangrijke differentiaal diagnostische factor.
Bij CFS patienten werden reeds verscheidene immunologische abnormaliteiten vastgesteld zoals verminderde werking, absoluut aantal en veranderingen in het fenotype van NK-cellen (Morrison et at. 1991; Lloyd et al. 1993), een abnormale expressie van celadhesie moleculen en activatie markeerders door een subset van de NK cellen (Tirelli et al. 1994), abnormale expressies van oppervlaktemerkers (Barker et al. 1994), B-cel subset veranderingen (Klimas et al. 1990), tekortkomingen in de IgG subklasse (Lloyd et al. 1993; Read et al. 1988), immuunactivatie (Abbot et al. 1994; Cheney 1992), evenals anergie (Abbot et al. 1994; Hilgers & Frank 1994; Lloyd et al. 1989; Lloyd et al. 1993). In vele gevallen van CFS gelijken de symptomen op deze geassocieerd met therapeutische toediening van cytokines. Verhoogde serum levels van tumor necrosis factor-a (Hilgers & Frank 1994), interteukine-2 (Cheney et al. 1989) en interferon (Lever et al. 1988) werden gerapporteerd in subgroepen van patienten. Verhoogde levels van cytokines kunnen een toestand van chronische immunnactivatie teweegbrengen waardoor ze de NK-cellen uitputten.
Door associatie van de vele immunologische abnormaliteiten met het syndroom spreekt men soms van "chronic fatigue immune dysfunction syndrome". Immunnactivatie, gedaalde NK activiteit, virusactivatie en abnormale cytokine produktie zijn wel degelijk geassocieerd aan post-infectieuze CFS. De acute aanvang van het ziekteproces wordt dan gekenmerkt door een majeure virale infectie, waardoor de interferon gemedieerde 2-5A Synthetase-RnaseL pathway (een enzymsysteem met een cruciale rot in antivirale verdedigingsmechanismen en controle van celproliferatie en differentiatie) geactiveerd worden,
Onderzoek van perifeer bloed mononucleaire celextracten (PBMC) van CFS patienten heeft aangetoond dat er een up-regulatie van het 2-5A Synthetase/RnaseL systeem blijft bestaan (Suhadolnik et al. 1997), met significant verhoogd geactiveerd 2-5A Synthetase, verhoogde concentratie 2-5A oligonucleotide en verhoogde RnaseL activiteit (Suhadolnik et al.1983). Een recente belangrijke bevinding is de identificatie van een nieuw laag moleculair gewicht (LMW 37kDa) 2-5A bindend enzymatisch actief RnaseL in PBMC van CFS patienten (Suhadolnik et al. 1997) en het aantonen van de afwezigheid of verminderde aanwezigheid van de normaal aanwezige 80 kDa en 40 kDa RnaseL. Momenteel wordt verder onderzoek uitgevoerd om ut te wijzen of dit aberant RnaseL ontstaat door een defect op messenger RNA niveau of door activatie van een latent cellulair protease of viraal protease.
Door de tegenstrijdige rapporten van imnmnologische studies of immuun abnormaliteiten, enkel vastgesteld bij subgroepen van patienten of groepen van CFS met verschillende agentia, veranderen de ideeen omtrent de etiologie van CFS voortdurend. Komaroff et al. (1992) beschouwen CFS als een immunologische verstoring die de reactivatie toelaat van latente en hardnekkige infectueuze agentia. De omschreven groeperingen van CFS in verschillende virale agentia zou bijvoorbeeld enkel een epifenomeen kunnen zijn, te wijten aan een vooraf reeds bestaande toestand. Lloyd et al. (1993) daarentegen, menen dat CFS een verstoord immunologisch antwoord is op een neergeslagen infectie of antigenetische uitdaging. Atopische verstoringen werden inderdaad in een hoog percentage vastgesteld bij CFS patienten (Klimas et al. 1990; Lloyd et al. 1993).
We kunnen dus stellen dat de gevonden abnormaliteiten onderling gecorreleerd zijn en een frame vormen voor de hypothese dat CFS, op zijn minst gedeeltelijk, een immunologische stoornis is.
3. Immunologische abnormaliteiten bij Belgische CFS-patienten ---------------------------------------------------------------
Demanet et al. onderzochten het immunologisch profiel van 149 Belgische CFS patienten en vergeleek hen met fibromyalgische en psychiatrische patienten die geregeld klaagden over gelijkaardige symptomen. Elke patient werd gequoteerd volgens de Karnofsky Performance Scale (KPS). Dit gaf een subcategorisering in 3 groepen, volgens ernst van de ziekte groep A (n=57) met KPS<65, ernstig ziek; groep B (n=62) met KPS tussen de 65-75 en groep C met een KPS >75, minder aangetaste of tot een bepaalde graad herstelde patienten.
Bepaling van het immunologisch profiel toonde een significante vermindering van NK-cellen en een verhoging van geactiveerde (HLA DR en CD25) T-cellen bij CFS patienten aan. Dit resultaat correleerde met eerder gepubliceerde data maar is van geen belang voor een diagnostische ziekte discriminatie omdat het ook geobserveerd werd in de pathologische controle groepen.
Zowel fibromyalgische als psychiatrische patienten vertoonden in absoluut aantal een verhoging van CD4+ cellen. Deze verhoging was het resultaat van verhoogde levels van CD4+ virgin (CD45RA+) en CD4+ memory (CD45RA-) T cellen. De CD4/CD8 ratio was eveneens duidelijk hoger vergeleken met deze van de gezonde controle groep. Dit bleek niet het geval te zijn bij de CFS patienten. Hierbij werd een algemene vermindering van de virgin cellen en een vermeerdering van de memory CD4+ Tcellen geobserveerd. Dit is een belangrijke bevinding daar de vermindering van de CD4+CD45RA+ subset eveneens beschreven werd door Klimas et al. (1990) en Straus et al. (1993b). Daarom analyseerden Demanet et al. de CD4+ T cellen meer in detail. Zowel virgin CD4+CD45RA+ en memory CD4+CD45RA- cellen werden onderverdeeld, overeenstemmend met hun absoluut aantal in de gezonde controle groep, in een lage, normale of hoge level om verschillen te kunnen detecteren in de immuunreactiviteit. Verder werden de CD4+ subgroep levels gecombineerd om de verschillende reactiviteit patronen te onderscheiden.
In de gezonde controle groep sprongen sommige specifieke virgin/memory cel patronen in het oog ( NRA+NRA- en HRA+NRA-). Er werden geen andere patronen gevonden zodat men veronderstelt dat er een sterk regulatiemechanisme heerst tussen virgin en memory CD4+ T cellen. Over het algemeen zijn ze in gelijke aantallen vertegenwoordigd in de perifere bloed lymfocyten (ratio RA+/RA-: 1,03).
De situatie ziet er anders uit in de CFS groep. Hier kunnen 2 grote subgroepen onderscheiden worden: 1 met een hoog gehalte aan virgin en memory CD4+ cellen (HRA+HRA-) en twee groepen met een laag aantal virgin CD4+ T cellen gecombineerd met een laag of normaal aantal memory CD4+ T-cellen (LRA+LRA- en LRA+NRA-). In de CFS groep werden normale patronen zoals NRA+NRA- en HRA+NRA- zelden geobserveerd. Daartegenover vertegenwoordigen de LRA+HRA- en de LRA+NRA- patronen 60% van alle patienten in deze groep.
In de fibromyalgische groep worden 40% van de patienten vertegenwoordigd door de HRA+HRA- patronen. in de psychiatrische groep konden geen specifieke patronen gedetecteerd worden.
De CD4+ T-cellen zijn van cruciaal belang bij de controle van de aard van de immuunrespons op infectueuze agenten en andere antigenen. Virgin CD4+ T-cellen produceren, wanneer ze in contact komen met een antigen, hoofzakelijk IL-2 in kleine hoeveelheden. Ze differentieren in memory CD4+ T-cellen met een Th1 of Th2 profiel van cytokine produktie en effector functie (Croft 1994). In tegenstelling met de virgin CD4+ T-cellen, zijn enkel kleine hoeveelheden antigenen nodig om de memory CD4+ T-cellen te restimuleren.
Behalve hoge hoeveelheden IL-2 kunnen ook andere cytokines gesecreteerd worden. Transformatie van naive T-cellen in memory T-cellen gaat gepaard met celproliferatie, activatie en de verwerving van hoge levels van adhesie moleculen zoals LFA-3 en ICAM-1(Croft 1994; Roth 1994). Verhoogde levels van IL-2, adhesie- moleculen en geactiveerde T-cellen werden geobserveerd in vele CFS studies (Abbot et al. 1994; Cheney et al. 1989; Cheney 1992; Landay et al. 1991; Tirelli et al. 1994).
Hoge CD4+ T-cel levels zoals in deze studie kunnen het resultaat zijn van de blootstelling aan IL-2 teweeggebracht door chronische blootstelling aan lage levels van antigenen. Verdere analyse van het memory CD4+ cel type zou aanwijzingen kunnen geven over de aard van de betrokken antigenen. Meer zelfs, I1-2 kan een suppressie van de cytotoxiciteit van de NK cellen teweegbrengen (Hellstrom & Hermodsson 1992), een conditie die frequent geobserveerd wordt bij CFS patienten.
En groot gedeelte van de patienten met een laag aantal virgin CD4+ T cellen werden ook in andere studies geobserveerd (Klimas et al. 1990; Straus et al. 1993b). Klimas et al. (1990) formuleerden verscheidene hypotheses om de verlaging van dit type cellen te verklaren. Een mogelijk voorstel was dat deze patienten gewoon hogere levels van memory CD4+ T-cellen bezaten. Uit de resultaten van Demanet et al. bleek dat dit enkel geldig was voor een klein aantal CFS patienten (LRA+HRA-). Daarom stelden ze voor deze patienten als een subgroep te beschouwen.
Gebaseerd op oplosbare immuun mediator receptoren, lymfocyten fenotypering en proliferatie studies werden twee niet-overlappende groepen van CFS patienten beschreven door Patrarca et al. (Helistrom & Herinodsson 1992; Patarca et al. 1995): 1 groep met immuun activatie en een andere met verminderde lymfocytenproliferatie en NK cel cytototoxische activiteiten. Tirelli et al. (1995) veronderstelde ook het bestaan van ten minste 2 groepen van CFS patienten.
Uit deze gegevens concludeerden Demanet et al. dat het niet duidelijk is of deze subpopulaties gescheiden entiteiten zijn of verschillende stadia vertegenwoordigen van hetzelfde ziekteproces. Dit kan enkel duidelijk worden met longitudinaal onderzoek. Subcategorisering met de Kamofsky Performance Scale geeft geen discriminatie tussen reactieve en hyporesponsieve patienten, alhoewel meer hyporesponsieve patienten herkend worden in de B-groep van CFS patienten.
De heterogeniteit van de psychiatrische groep en het feit dat niet elke CFS patient onderworpen is geweest aan een gestructureerd psychiatrisch interview zijn beperkingen in deze studie.
Demanet et al. concludeerden op basis van het CD4+ T-cel fenotype dat er twee grote subgroepen van CFS patienten herkend kunnen worden: de ene groep vertoont een hyperreactief patroon, de ander een laag respons patroon. Daarom lijkt het duidelijk dat deze twee groepen andere behandelingsmethoden vereisen.
4. Conclusie --------------
Talrijke wetenschappelijke onderzoeken werden reeds uitgevoerd om de eventuele immunologische abnormaliteiten bij CFS patienten op te sporen. Ze trachten ten eerste een primaire afwijking veroorzaakt door een infectie te vinden, verantwoordelijk voor het syndroom, en ten tweede trachten ze de secundaire immunologische afwijkingen te karakteriseren als respons op die infectie. Er zijn verscheidene resultaten gevonden, doch men is er nog niet in geslaagd om een immunofenotypering, typisch voor CFS, te omschrijven omdat de vele afwijkingen slechts gelden voor een aantal van de CFS patienten, omdat de meeste afwijkingen voor het grootste gedeelte overlappen met die van de normale controle groep of omdat de resultaten elkaar tegenspreken. Dit kan betekenen dat verstoringen enkel bij de meest zieke personen geobserveerd worden of dat er subgroepen bestaan bij CFS patienten.
Uit literatnurstudie blijkt dat inmunofenotyperingstechnieken, patienten- selectie, verschillende combinaties van antilichamen, aard en grootte van de controle groep en het al dan niet rekening houden met andere variabele parameters (o.a.leeftijd, geslacht, ziektestatus, voedingsgewoonten, gemoedstoestand, het nemen van medicatie, stress) een mogelijke verklaring kunnen zijn voor de divergerende resultaten. Een feit is dat de verkregen resultaten niet steeds reproduceerbaar zijn noch werden ze allen in eenzelfde populatie onderzocht. Het is dan ook aan te raden de bevindingen na te gaan in een tweede case-control studie, om te kijken of de mate waarin een bepaalde abnormaliteit voorkomt, niet fluctueert bij spontane verbeteringen of verergeringen van de symptomen. Men moet ook vermelden dat vele proefopzetten en methodes van data analyse en presentatie inadequaat gestandaardiseerd blijven. Tenslotte is het belangrijk de significantie van de bekomen resultaten kritisch te onderzoeken.
Volgens Herberman (1991) vereist de standaardisatie van immunologische tests de controle van inter-assay variabiliteit, intra-assay variabiliteit en biologische variabiliteit. Volgens hem is het belangrijk elke level, van immunologische markeerders, te bepalen om in een geschikte controle populatie, met adequate grootte, bestudeerd te kunnen worden. Geldige interpretatie van de resultaten vereist dan ook het overdenken van de complexe interacties van componenten op het immuun systeem zowel als van interacties van het immuunsysteem en andere fysiologisch regulerende systemen.
In het onderzoek van Mawle et al. (1997) vond men meer uitgesproken verschillen wanneer men de patienten ging onderverdelen in subgroepen : aard van de ziekteaanvang (gradueel of plots), gezondheidstoestand op de dag van het interview en de duurtijd van de ziekte (lang of kort). Mawle et al. suggereerden dan ook dat de aard van de ziekteaanvang een belangrijke factor zou kunnen zijn bij het selecteren van CFS gevallen voor studie, en zou moeten gebruikt worden voor de stratificatie van analyse gegevens.
Abbot et al. (1994) wezen er op dat immunologische bevindingen kunnen varieren tussen populaties. Zo blijkt uit hun bevindingen omtrent hypoanergie van controle groepen dat er verschillen waren in immunisatie of blootstelling aan antigenen tussen een gezonde Schotse populatie en deze van de Verenigde Staten of Australie.
Wagner et al. trachtten de relatie te onderzoeken tussen immuununstatus en fysieke symptomen bij CFS-patienten. Hun bevindingen suggereren dat de graad van cellulaire immuunactivatie geassocieerd is met de ernst van CFS verwante fysieke symptomen, aandachtsproblemen en de opmerkelijke verzwakking, die secundair toegeschreven is aan CFS. Meer specifiek worden verhoogde levels van T-helper/inducer cellen, geactiveerde T-cellen, geactiveerde cytotoxische/suppressor T-cellen en een verhoogde CD4/CD8 ratio geassocieerd met ernstigere ziekte symptomen. Verder constateerden ze dat reducties van T-suppressor/cytotoxische cellen eveneens verband hielden met strengere fysiek gerelatoerd CFS-symptomen en drukking van de ziekte. Dit suggereert dat ergere symptomen geassocieerd zijn met een lagere beschikbaarheid van regulatoire T-cellon.
In een studie van Tirelli et al. (1994) werd er gesuggereerd dat een significante vermindering van de CD4CD45RA+ T-cellen zouden kunnen resulteren in een dysregulatie van de B-lymfocyten, daar de CD4CD45RA+ T-cellen betrokken zijn bij de proliferatie en differentiatie van de B-cellen. Er kan verondersteld worden dat de verhoogde level van CD5+ B-cellen op een of andere manier verband houdt met het verlies aan regulerende CD4CD45RA+ T-cellen en dat de uitbreiding van zo'n specifieke B-cel pool mogelijk zou kunnen bijdragen tot de symptomen van CFS, dewelke vaak overlappen met de symptomen van autoimmuunziekten die gekarakteriseerd worden door abnormaliteiten in de B-lymfocyten.
In een studie van Straus et al. (1993b) vond men een verlaagd percentage van CD4 T-cellen en van CD4CD45RA -cellen (of naive cellen). Do CD4CD45RO of memory T-cel subset was normaal maar uitte een verhoging van adhesiemoleculen. De lymfocyten vertoonden een verminderde proliferatie. Het verminderde aantal CD4CD45RA-cellen kan volgens Straus et al. verklaard worden als we aannemen dat CFS- patienten onder invloed zijn van processen die de omzetting van CD45RA-dragende T-cellen in CD45RO-dragende T-cellen doen toenemen. Volgens Klimas (1990) zou de eenvoudigste hypothese zijn dat de CD4CD45RA-cellen zich aanpassen aan de aanwezigheid van een wat hoger percentage van memory cellen als gevolg van chronische viraal geinduceerde antigeen stimulatie. Functioneel kunnen de CD4CD45RA- cellen een vertraagde hypersensitiviteit teweegbrengen, reageren op mitogeen stimulatie, intorloukine-2 en gamma- interferon produceren, cytotoxische cellen activoren en de specifieke antwoorden van de B-cellen op antigenon onderdrukken. Een daling van zo'n subset van inducer lymfocyten kan resulteren in een dysregulatie van de B-lymfocyten door het gebrek aan effectieve suppressor cellen. Het kan eveneens het aantal geactiveerde cytotoxische T-cellen verminderen en aldus een toestand van chronische virale reactivatie bevorderen.
Barker et al. (1994) stelden dat de verminderde CD8+CD11b+ supressor cel populatie en de verminderde NK-cel functie een plausibele verklaring zijn voor de symptomen van CFS.
Het verlies van deze regulatoire cellen kunnen een verhoogde activatie toelaten van andere CD8+ lymfocyten (gekenmerkt door HLA DR en CD38 oppervlaktemerkers), zoals cytotoxische cellen. Geactiveerde cellen kunnen een overproduktie van cytokinos veroorzaken, die verantwoordelijk zijn voor de gekaraktoriseerde symptomen van CFS, zoals spierpijn, koorts en vermoeidheid (Mowbray & Yousof 1991; Levy 1991). Barker et al. concludeerden dat het immuunsysteem terug in balans moet gebracht worden om de symptomen, teweeggebracht door deze verstoring, om te keren.
De afname van de NK-cel activiteit kan mogelijk te wijten zijn ann een reductie in NK-cel target-bindingen of aan een inefficiente degranulatie bovenop de target cel bindingen (Atkinson et al. 1990). Volgens Barker kan de verminderde NK-activiteit verband houden met de vergrotende secretie van cytokines door hyperactieve immuuncellen. Sommige van deze cytokines onderdrukken de mogelijkheid van de NK-cellen om normaal te functioneren (Hellstrand & Hermodsson 1989). In een studie van Tirelli et al. (1994) werd er gesteld dat de reductie van de NK-cel activiteit gerelateerd zou kunnen zijn met een absolute of relatieve vermeerdering van de minder efficiente CD16-/CD56+ subset van NK-cellen. Volgens Klimas (1990) is het NK-cel defect te wijten aan de onmogelijkheid van de mononucleaire cellen van patienten met CFS om gamma-interferon te produceren. Gamma-interferon wordt beschouwd als een belangrijke immuunregulator, die zowel antigeen presentatie als NK-cel cytotoxiciteit verhoogt.
Verscheidene auteurs hebben de associatie aangetoond tussen verminderde NK-cel activiteit en CFS. Desondanks is de significantie van deze associatie nog niet kritisch onderzocht geweest: de potentiele relevantie van andere variabelen (zoals medicatie en gemoedstoestand) op de NK functie blijft ondoorzocht. Als de associatie van NK-cel activiteit en CFS geldig is, rijzen er vele vragen. Wat is de oorzaak-en-effect relatie? Is deze verstoring een intrinsiek defect van de NK-cel of is het het resultaat van inhiberende effecten van een circulerende factor?
Verscheidene gecontroleerde studies hebben gefaald bij het aantonen van verhoogde serum levels van cytokines, bij CFS-patienten. Er zijn dan ook tegenstrijdige resultaten in de papers van Lloyd et al. (1994) en Patrarca et al. (1995). De studie van Lloyd et al. voegt er een andere negatieve bevinding aan toe : de afwezigheid van enige schommeling in plasma cytokines na langdurige inspanning. Patrarca et al. detecteerden dan weer, in het serum van patienten met CFS, mRNA voor de tumor necrosis factor-a.
Hoewel dit een eerste knooppunt kan zijn met de oorsprong van de immunologische verstoring bij CFS-patienten is er een dringende behoefte om deze bevindingen te bevestigen m.a.w. zo moeten gereproduceerd kunnen worden in grotere studies en door andere onderzoekers. Hierbij is het volgens Herberman aan te raden, wanneer we de cytokine levels in vrouwen vergelijken, rekening te houden met het eventueel gebruik van een anticoncoptiemiddel en het tijdstip in de menstruele cyclus (Herberman 1991). Nauwkeurig onderzoek naar de rol van deze factoren kan mogelijk leiden tot het beter begrijpen van het in het algemeen meer voorkomen van CFS bij vrouwen.
Keller et al. (1994) trachtten de associatie na te gaan tussen HLA klasse II antigenen en CFS. Dit rapport suggereert dat genotische factoren, in sommige gevallen, belangrijk zouden kunnen zijn bij de ontwikkeling van CFS. Ook hier zijn grotore studies, inclusief groepen van families, noodzakelijk om deze bevinding te bevestigen of te ontkennen.
Uit al deze vaststellingen kunnen we besluiten dat vele vragen onbeantwoord blijven. Verscheidene onderzoeken werden reeds gedaan en velen zetten de proeven voort om te ondersteunen dat immunologische factoren mogelijk belangrijk kunnen zijn bij de ontwikkeling van CFS. Verscheidene potentiel belangrijke aanwijzingen naar de oorsprong van de immunologische verstoringen zijn beschikbaar maar er is een dringende nood aan de ontwikkeling en het testen van meer gesofistikeerde immunologische hypotheses over de pathogonesis van CFS. Dit kan ons toelaten te spreken over CFS als een welbepaalde ziekte-entiteit.
Globaal is het voornaamste doel de complexe ethiopathogenese van CFS verder to ontrafelen en een diagnostische marker te identificeren, waardoor in de toekomst patienten op ondubbelzinnige manier gediagnostiseerd worden en op medisch-wetenschappelijk, sociaal en medicolegaal vlak erkend worden. Bovendien laat de ontdekking van een diagnostische marker van deze ziekte toe, te streven naar de ontwikkeling van een meer doeltreffende therapie.
Bronchiale hyperreactiviteit ----------------------------
Omdat CFS patienten vaak last hebben van kortademigheid en allergische reakties word in een studie van de Meirleir et al. een histamine bronchoprovocatie test uitgevoerd om de eventuele aanwezigheid van bronchiale hyperreactiviteit op te sporen. Ze kwamen tot de constatatie dat meer dan de helft van de onderzochte patienten bronchiale hyperreactiviteit vertoonden. Daar de prevalentie hoog is vonden ze dat bronchiale hyperreactiviteit zou moeten toegevoegd worden aan de lijst van mogelijke symptomen van CFS.
1. Inleiding ----------------------
De luchtwegen zijn geen vaste lichamen, maar dynamische structuren die veranderen in diameter als respons op een varieteit aan stimuli. Wanneer er behoefte is om grote hoeveelheden lucht te verplaatsen, zoals bij een inspanning, zetten de longen zich uit (bronchiale dilatatie). Anderzijds wanneer het belangrijk is om het volume lucht dat ingeademd wordt te beperken of te verminderen, zoals bij blootstelling aan irriterende gassen of rook, verdedigen de longen zichzelf door hoest en bronchiale vernauwing (bronchoconstrictie). Deze eigenschap van de longen om hun grootte aan te passen naargelang de stimuli noemt men de long reactiviteit. Deze term wijst op de contracties van het glad spierweefsel; alhoewel dit niet altijd het geval is omdat verscheidene pathologische processen eveneens kunnen resulteren in een vernauwing van de luchtwegen. Meestal zijn er meerdere processen tegelijkertijd aan het werk. De dominante respons hangt af van de aard van het binnengedrongen agens, de verspreiding ervan binnen de bronchiale vertakking, de duur en de intensiteit van de blootstelling en de reactie van de gastheer.
Bij normale personen is long reactiviteit een essentiele component van de homeostase. Wanneer deze respons overdreven is, wordt het omschreven als bronchiale hyperreactiviteit (BHR) of hyperresponsiviteit. Bij personon met BHR is de respons van de luchtwegen merkelijk verhoogd; patienten met deze aandoening ontwikkelen, vergeleken met gezonde individuen, een grotere bronchiale vornauwing als antwoord op kleinere fysieke, chemische en farmacologische stimuli (Hargreave et al. 1981). De reactiviteit van de luchtwegen van personen met BHR verhoogt met herhaaldelijke blootstelling aan exciterende stimuli, zoals virale respiratoire infecties, antigenen, ozon en nitrogone dioxiden en vermindert door deze te vermijden.
Sommige studies suggereerden dat 10% van de normale populatie en 30% van de non-asymptomatische rokers mogelijk bronchiale hyperreactiviteit hebben (Casale et al. 1987; Casale et al. 1988). Het omgekeerde gebeurt ook, astmatische personen bijvoorbeeld vertonen niet altijd verhogingen in de responsiviteit van de longen (Giffon et al. 1987; Salerno et al. 1982; Stanescu & Frans 1982).
Het is onduidelijk of individuen met verhoogde bronchiale hyperreactiviteit een aparte populatie vertegenwoordigen of het extreme uiteinde zijn van een normale verdeling. De beschikbare data suggeren dat de verdeling van de BHR een Gaussiaanse vorm heeft, waarbij astmatische personen het meest gevoelige uiteinde bezetten (Britton 1988; Cockcroft et al. 1983). Metingen van bronchiale reactiviteit werden traditioneel gebruikt om individuen te identificeren die mogelijk astma zouden kunnen ontwikkelen of soortgelijke ziektes. Over de jaren heen heeft het testen van bronchiale hyperreactiviteit vele vormen aangenemen. Geen enkele test detecteert alle risico-patienten en elke test bevat andere informatie. (McFadden 1997)
2. Histamine ----------------------
Omdat histamine 1 van de sterkste mediators is van bronchoconstrictie en omdat bronchoprovokatie testen worden uitgevoerd met histamine, lichten we deze stof nader toe.
De eerste waarneming van de vasoactieve eigenschap van histamine gebeurde in de vroege l9de eeuw. Deze cellulaire mediator is sindsdien uitbundig bestudeerd geweest. Histamine is meer dan enkel een vasoactieve mediator. Het is een alomtegenwoordige mediator van cellulaire functies die het immuunsysteem beinvloeden. Het is algemeen geweten dat histamine wordt opgeslagen in mastcellen en basofielen. Stimulatie van deze cellen in de menselijke longen, resulteert in de vrijlating van histamine en andere mediatoren, die bronchoconstrictie veroorzaken. Histamine wordt eveneens door andere cellen gesynthetiseerd zoals lymfocyten, macrofagen en bloedplaatjes.
Histamine is een product van het enzym, histidine decarboxylase, dat inwerkt op het aminozuur histidine. Indringers die de ontstekingsbarriere binnendringen kunnen de activiteit van dit enzym beinvloeden. Er werd o.a. aangetoond dat liposacchariden en interleukine-1, histidine decarboxylase in macrofagen en T-lymfocyten stimuleert, om histamine aan te maken (Aoi et al. 1989). Oh en Nakano (1988) onderzochten in vitro de respons van histidine decarboxylase van inacrofagen en lymfocyten op glucocorticoiden. Ze toonden aan dat histamine synthese geinhibeerd wordt door deze anti- inflammatoire agentia. Dit is vooral interessant omdat blijkt dat geinhaleerde glucocorticoiden de meest frequent gebruikte steunpilaren zijn bij de behandeling van astma.
Eens histamine aangemaakt is kan het uitgescheiden worden door de nieren in ongewijzigde vorm. Toch, slechts 1% van deze onveranderde histamine is detecteerbaar in de urine. De belangrijkste enzymes die histamine degraderen zijn histamine N-methyltransferase en diamine oxidase (Okayama et al. 1995). N-metbyltransferase zet histamine om in methyl histamine. Dit enzym is het grootste metaboliserende enzym van het menselijke neusmucosa (Okayama et al. 1995). Het is aanneembaar dat dit enzym zou terug te vinden zijn in het longweefsel.
Nakazawa et al. (1994) gebruikte een cavia om de effecten van virale infecties op het histamine metabolisme te onderzoeken. Bij dit model, was de histamine N-methyltransferase-activiteit, in de bronchi van de cavia, met 86% verminderd. De auteurs van deze studie concludeerden dat bronchiale hyperreactiviteit, te wijten aan een virale infectie, het resultaat kan zijn van verminderde enzymatische katabolisatie van histamine. Inderdaad, Jarjour et al. (1991) vonden een correlatie tussen verhoogde BAL (bronchoalveolaire lavage) histamine concentraties in menselijke subjecten en verboogde bronchoconstrictie. Verhoogde BAL histamine concentraties werden geassocieerd met hyperreactiviteit zoals gemeten werd met methacholine toedieningen (Casale et al. 1987). Deze in vitro en in vivo studies suggereren dat pulmonale inflammatie, geinduceerd door infecties en andere triggers, mogelijk de histamine concentraties verhogen door zowel de synthese als de degradatie van histamine aan te spreken. Deze verhoogde histamine concentraties kunnen mogelijk bijdragen tot bronchoconstrictie en astmatische symptomen. (Hogan & Greenberger 1997)
3. Bronchiale hyperreactiviteit -----------------------------------------
Bronchiale hyperresponsiviteit is een algemene abnormaliteit bij astma patienten en wordt frequent geobserveerd bij patienten met chronische obstructieve ziekten van de longen. Algemeen wordt hyperresponsiviteit van de longen omschreven als een abnormaliteit van de longen, dat hen in staat stelt te veel en te gemakkelijk te vernauwen als respons op een uitlokkende stimulus. In praktijk wordt het omschreven als de dosis of concentratie (PD2O of PC2O), van een geinhaleerde substantie, dat een verandering in het longvolume van 20% veroorzaakt.
Gedurende de eerste helft van de 20ste eeuw, werd geobserveerd hoe symptomen en/of bronchoconstrictie werden uitgelokt door tal van exogene chemische mediators, waaronder in hoofdzaak histamine en cholinerge agonisten. Het concept om deze fysiologische respons te gebruiken als diagnostisch instrument vind zijn oorsprong in Frankrijk in 1940 (Tiffeneau & Beauvallet 1945). In het midden van de vijftiger jaren ondekte Robert Tiffenau veel van wat herondekt is geweest gedurende de laatste tientallen jaren (Tiffeneau 1958). Van dan af zijn vele methodes ontwikkeld geweest om bronchiale hyperreactiviteit na histamine, methacholine en andere stimuli te meten.
Bronchiale hyperreactiviteit komt vaak voor bij ziekten, die een obstructie of inflammatie van de longen omvatten. Meer specifiek hebben we het dan over de zogenaamde pseudo-BHR, die gezien wordt bij individuen met een sluimerende Iuchtwegenobstructie. Dit zijn vooral diegenen met een chronische beperking van de luchtwegen. Deze beperking is hoofdzakelijk het gevolg van het roken van sigaretten maar mogelijk ook te wijten aan een postinfectueuze bronchiolitis (Ramsdale et al. 1984; Rainsdale et al. 1985).
Andere ziektes van de luchtwegen die eveneens BUR vertonen zijn bronchiectasie (Haluszka & Scislicki 1975; Pang et al. 1989), cystic fibrosis (Eggleston et al. 1988; Mitchell et al. 1978), tuberculosis (Laitinen & Kokkola 1974), sarcoidosis (Bechtel et al. 1980) en andere (Elwood et at 1981; Freedman & Ault 1981; Givan et al. 1981; Gurwitz et al. 1980; Simpson et al. 1978).
a) Stimuli --------------------
Er kunnen talrijke stimuli gebruikt worden om bronchiale hyperresponsiviteit te meten, in het laboratorium (zie tabel 1). Deze stimuli kunnen onderverdeeld worden in selectieve stimuli en niet-selectieve stimuli. De selectieve stimuli zijn deze die bronchoconstictie zullen uitlokken bij slechts een subpopulatie van astmatische personen. Deze selectieve stimuli omvatten zowel sensibilisatoren als niet-sensibilisatoren. De niet-selectieve stimuli lokken bronchoconstrictie uit in alle astmatische patienten (en vele normale personen). De conventionele weg om ze te categoriseren is in chemische en fysische stimuli. Een alternatieve, meer recente manier om ze te in te delen is in direct-werkende en indirect-werkende stimuli (Pauwels et al. 1988). Direct-werkende stimuli zijn deze die bronchoconstrictie veroorzaken door in te werken op de specifieke mediator-receptoren van de gladde spieren. Histamine, cholinerge analogieen en waarschijnlijk arachidonzuur metabolieten worden beschouwd als direct-werkende stimuli. De werking van de indirekt- agerende stimuli is moeilijk te bevatten. Meestal zullen ze indirekt werken via neurologische of humorale weg. De fysische stimuli en vele van de chemische stimuli zoals adenosine monofosfaat (AMP), B-adrenergische blokkers en de tachykinines werken indirect.
De ideale stimulus om de responsiviteit van de luchtwegen te meten is nog niet geidentificeerd en zal afhangen van wat de test wil aantonen. Het aantonen van hyperresponsiviteit met directe stimuli lijkt gevoeliger daar waar het opwekken van bronchoconstrictie via indirect-handelende stimuli meer specifiek is om de diagnose van klinische astma te stellen. (Cockcroft 1997)
TABEL 1. Stimuli voor meting van bronchiale hyperreactiviteit -------------------------------------------------------------- Niet-selectieve stimuli Selectieve stimuli -------------------------------------------------------------- Chemische Sensibilisatoren -------------------------------------------------------------- Histamine Geinhaleerde allergenen (lgE) Cholinerge agonisten Opgenomen allergenen (IgE) vb. methacholine Laag moleculair gewicht b-adrenerge blokkers sensitizers a-adrenerge agonisten Niet-sensihilisatoren Prostaglandine ASA NSAIDS Leukotrienes (C4,04,E4) Voedsel additieven PAF Mogelijk overgevoeligheid aan voedsel Bradykinine Tachykininen Serotonine AMP -------------------------------------------------------------- Fysische -------------------------------------------------------------- Inspanning Koude lucht Hyperventilatie Niet-isotonische aerosols "Inert" stof -------------------------------------------------------------- PAF, platelet-activating factor ASA, acetylsalicyl zuur; NSAIDs, niet-steroidale anti-inflammatoire drugs; AMP, adenosine monofosfaat --------------------------------------------------------------
b) Metingen ---------------------
In het laboratorium wordt de responsiviteit in het algemeen gemeten door gebruik te maken van een dosis-respons curve. Ze komen meestal tot stand door een curve te maken van de geinhaleerde, steeds toenemend dosissen of concentraties aan stimuli opgelost in een diluent. De mediators worden geinhaleerd uit een nebulisator tijdens een gestandaardiseerd tijdsinterval; de longfunctie wordt voor en op de geschikte tijdstippen, na toediening van de concentraties, vastgesteld. De responsiviteit wordt gewoonlijk vastgesteld door het 'forced expired volume in ene second' (FEV1) dat gemeten wordt voor en tussen de 30 en 180 seconden na elke dosis. De reacties worden vergeleken met inhalaties van alleen het diluent, en gemeten als een percentage van verminderd FEV1. Het resultaat wordt gewoonlijk uitgedrukt als de dosis of concentratie die een daling van 20% van het FEV1 teweegbrengt (PD2O of PC2O) (Chai et al. 1975; Cockcroft et al. 1977; Yan et al. 1983). Het ene vertegenwoordigt de cumulatieve dosis die toegediend werd, het andere de concentratie uit een nebulisator met een standaard output. M.a.w. ze meten beiden hetzelfde fenomeen. Deze variabelen worden dan vergeleken met deze die nodig zijn om gelijkaardige veranderingen op te wekken bij een normale populatie. Bij de farmacologische aerosols, wordt de quantiteit van de agent gebruikt als onafhankelijke variabele. Bij de non-isotonische aerosols, is het de kwantiteit van de geinhaleerde vloeistof en bij fysieke inspanning isocapnische hyperventilatie. Het voordeel bij het gebruik van een fysieke stimulus is dat bij normale mensen geen significante veranderingen optreden in de pulmonaire mechanismen (Allegra & Bianco 1980).(Smith & Anderson 1989)
c) Mechanismen --------------
Er blijkt een mogelijke link te zijn tussen infectie van de luchtwegen en het functioneren van de gladde spieren. Verscheidene studies wezen op de correlatie tussen metingen van de responsiviteit van de longen en de verschillende aspecten van cellulaire inflammatie van de luchtwegen. Dus men stelde dat BHR, zowel persisterende hyperreactiviteit als kortstondige hyperreactiviteit op een of andere manier veroorzaakt wordt door inflammatie.
Het mechanisme waarbij inflammatie van de Iuchtwegen BHR zou veroorzaken is echter niet duidelijk. Mechanische factoren, zoals vermindering van de Iuchtwegeninhoud, toename van de dikte van de longwand en verhoogde permeabiliteit van de longen, zouden eveneens kunnen bijdragen tot BHR. Het lijkt onwaarschijnlijk dat enkel deze factoren instaan voor de ontwikkeling van BHR, maar het is mogelijk dat ze een modificerende rol spelen.
Neurogenetische theorieen over de oorsprong van BHR omvatten het a-adrenerge blokkades, alfa-adrenerge overactiviteit, cholinerge overactiviteit, veranderingen in de locale axon reflexmechanismen enz. . .Dit onderwerp is recent grondig onderzocht geweest en een hoofdzakelijke neurogenetische uitleg voor BHR lijkt onwaarschijnlijk.
Er zijn een aantal humorale factoren, die bronchoconstrictie veroorzaken en verscheidene die ontstekingscellen zullen aantrekken, die mogelijk kunnen leiden tot hyperresponsiviteit. Voorbeelden hiervan zijn LTB4 en PAF (platelet-activating-factor).
Omdat het gladde spierweefsel van de longen hyperresponsief is op een aantal stimuli, rees de mogelijkheid dat er functionele en/of structurele veranderingen zouden zijn wat betreft dit glad spierweefsel. Deze wijziging zou ofwel in de spier zelf ofwel in zijn neurohumoraal milieu kunnen zijn. Toch vindt men geen verklaring voor een bepaald mechanisme.
Tenslotte lijkt het mogelijk dat ten minste 1 component van BHR iatrogeen is. Geinhaleerde S-adrenoreceptor agonisten blijken allergeen geinduceerde luchtwegen responsen te vergroten en waarschijnlijk ook allergeen geinduceerde inflammatie van de luchtwegen. Het blijkt dat injecties met allergenen BHR kunnen teweegbrengen, gelijkend op de manier waarop inhalatie van allergenen BHR veroorzaakt.
4. Relatie met het imuunsysteem ----------------------------------
a) Immunologische factoren ------------------------------------
Onderzoek naar de relatie tussen allergie en verhoogde responsiviteit van de luchtwegen toonde aan dat de karakteristieke immuunrespons, die leidt tot hoge lgE levels, op zichzelf geen determinant is voor de responsiviteit van de luchtwegen. Men veronderstelt dat de blootstelling aan aeroallergenen essentieel is voor het veroorzaken van hyperresponsiviteit.
Een recent rapport wijst op de mogelijkheid van 'late' allergische reacties van de luchtwegen en hyperresponsiviteit na toediening van methacholine. Zuivering van de T-cellen, geisoleerd uit de intrathoracale lymfeklieren van een rat, toonde aan dat niet de CD4+ cellen maar wel de CD8+ cellen deze late respons overbrengen (Watanabe et al. 1995). Deze proef illustreerde dat bronchoconstrictie, veroorzaakt door antigenen, overgebracht kan worden door antigen-specifieke W3/25+ cellen in de rat. De auteurs menen dat CD8+ cellen een belangrijke, negatieve regulerende rol spelen en dat interferon-S mogelijk een relevante mediator kan zijn voor de functie van de CD8+ cellen wat betreft dit muismodel. Soortgelijke modellen werden eveneens gebruikt om de mogelijkheid te illustreren van een passieve transfer van zowel allergische responsen van de luchtwegen als hyperresponsiviteit ten gevolge van methacholine (Fink et al. 1987).
b) Cytokines ------------
Cytokines en interleukines zijn moleculen die hoofdzakelijk betrokken zijn in het onderhouden van de homeostasis. Deze moleculen regelen de groei en functie van vele cellen van het immuunsysteem o.a. eosinofielen, mastcellen, basofielen en andere. Activatie van deze cellen door cytokines kunnen mogelijk een cruciale rol spelen bij de ontwikkeling van allergische inflammatie van de luchtwegen.
Een aantal cytokines, inciusief interleukine-1 (IL-1), IL-2, en TNF-a toonden aan bronchiale hypereactiviteit te verhogen. IL-1, IL-2 en TNF-a werden bestudeerd in de rat en TNF-a werd eveneens onderzocht bij het schaap. Meer recent werd aangetoond dat antilichamen, tegen IL-5, de infiltratie van eosinofielen en de ontwikikeling van bronchiale hyperresponsiviteit verhindert. Voor dit experiment gebruikte men cavia's met allergische astma (Van Oosterhout et al. 1993; Egan et al. 1995). De preciese mechanismen van deze bestanddelen is niet geheel duidelijk, alhoewel ze allemaal pro-inflammatoir zijn.
Alam (1990) onderzocht eveneens de invloed van de cytokines op BHR en kwam tot de constatatie dat het cytokine netwerk een brede waaier van effector moleculen aanspreekt, die in staat zijn een immunologische respons te uiten zowel onder de vorm van onmiddellijke en late allergische reaches als onder de vorm van chronische inflammatie. Volgens hem ligt de belangrijkheid van de cytokines en interleukines in het feit dat velen onder hen in de vroege fase van de immuunrespons gesecreteerd worden. Dit impliceert dat door tussenkomst, in de functie van deze effector-cellen, mogelijk overdreven beschadiging van de gastheer kan gevrijwaard worden en toestanden zoals BHR kunnen vermeden worden (Alam 1990). Hij wees eveneens op de aanwezigheid van histamine releasing factors (HRF), ze representeren een het erogene groep substanties die histamine en leukotrienen vrijmaken uit mastcellen en basofielen. HRF wordt geproduceerd door vele cellen o.a. T-cellen, B-cellen, monocyten, neutrofielen en bloedplaatjes. Uit zijn onderzoek bleek dat spontane productie van HRF een boge correlatie vertoonde met BHR.
c) Eosinofielen/neuropeptiden -----------------------------
Zoals reeds eerder vermeld, is bronchiale hyperreactiviteit 1 van de hoofdsymptomen bij astmapatienten en heeft het een goede correlatie met de ernst van de ziekte. De luchtwegen van astmatische personen worden gekarakteriseerd door een toestand van inflammatie, die resulteert in een activatie van longweefselcellen en de aantrekking en infiltratie van leukocyten uit het bloed. De accumulatie van eosinofiele leukocyten is een prominent verschijnsel wat betreft inflammatoire reacties bij allergische astma. Het verbogen van het aantal cosinofielen is belangrijk aangezien dit in tijd overeenstemt met een verhoging in bronchiale hyperreactiviteit. Virale infecties van de luchtwegen kunnen eveneens een verhoging van het aantal cosinofielen en van de luchtwegen responsiviteit, bij zowel mens als dier, teweegbrengen en kunnen astmatische reacties verergeren. Kraneveld et al. (1997) onderzochten de relatie tussen de accumulatie/activatie van eosinofielen en de ontwikkeling van bronchiale hyperreactiviteit en de mogelijke rol die neuropeptiden zouden kunnen spelen tijdens dit proces. Hun eerste vaststelling was dat CC chemokinines een belangrijke rol spelen bij allergische inflammatie van de luchtwegen en bij virale infecties van de luchtwegen, resulterend in de recrutering van eosinofielen.
Ten tweede concludeerden ze dat IL-5 betrokken is in de ontwikkeling van BHR. IL-5 bevordert de groei, differentiatie en proliferatie van de eosinofielen en treedt op als chemoattractant, activator en als 'primer'. Desondanks, is het aanneembaar dat naast IL-5 andere regulerende mediators mogelijk betrokken kunnen zijn bij de migratie van eosinofielen en het activeren van de long, die op hun beurt leiden tot hyperresponsiviteit van de Iuchtwegen. Het preciese mechanisme waarmee eosinofielen BHR teweegbrengen is nog niet bekend. Wel neemt men aan dat zintuiglijke neuropeptiden belangrijke mediatoren kunnen zijn in dit proces, sinds aangetoond werd dat de zenuwen van de luchtwegen omgeven zijn en geinfiltreerd worden door eosinofielen, na antigen uitdaging.
Samengevat concludeerden Kraneveld et al. (1997) hieruit dat bij de ontwikkeling van BHR, geobserveerd tijdens virale infecties of allergische astma, de infiltratie en activatie van cosinofielen door IL-5 evident is. De hieropvolgende eosinofiel-afkomstige inflammatoire mediators veroorzaken de vrijlating van zintuiglijke neuropeptiden. Deze zullen op hun beurt leiden tot BHR (Kraneveld et al. 1997).
d) Inflammatie van de luchtwegen ------------------------------------------
Het verband tussen inflammatie van de luchtwegen en bronchiale hyperreactiviteit is uitbundig onderzocht geweest. Opgewekte BHR, allergisch of niet, is bijna onveranderlijk geassocieerd met een verhoging van het aantal leukocyten in de longen. Desondanks, zijn de exacte cellen, verantwoordelijk voor deze hyperesponsiviteit moeilijk aan te duiden. Verscheidene strategieen werden reeds toegepast. Experimenten betreffende de depletie van leukocyten waren leerzaam maar niet afdoend genoeg daar er onzekerheid heerste omtrent de selectiviteit van de gebruikte drugs en antilichamen (O'Byrne et al. 1984). De beschikbaarheid van monoclonale antilichamen, met de keuze uit verschillende adhesiemoleculen, betrokken bij de leukocyten migratie heeft geholpen om dit onderwerp verder uit te spitten. Vele studies gebruikten antilichamen die celadhesiemoleculen, bij diermodellen met hyperreactiviteit, blokkeerden (Pilewski & Albelda 1995). De resultaten van deze studies wezen erop dat therapie met anti- intracellulaire adhesiemoleculen klaarblijkelijk effectief is om bronchiale hyperreactiviteit af te stompen. Desondanks is het mogelijk dat het mechanisme niet geheel afhankelijk is van de inhibitie van de inflammatoire cel-influx, Voorafgaandelijke in vitro gegevens suggereren dat de geobserveerde reductie in hyperresponsiviteit eerder te wijten is aan het effect van de anti-lichamen op de functie van de leucocyten dan aan de recrutering van cellen (Abraham et al. 1994).
e) IgE en allergie --------------------
Er blijkt een verband te zijn tussen allergische gevoeligheid en bronchiale hyperreactiviteit. Bij kinderen verhoogt allergie niet enkel de waarschijnlijkheid van BHR, ook de graad van BHR blijkt nauw aan te sluiten bij de mate waarin een bepaald individu allergische reacties vertoont (Sears et al. 1993). Bryant et al. (1975). toonde een zeer significante correlatie aan tussen de serum-level van allergeen specifiek IgE en de graad van responsiviteit van de luchtwegen op dat allergeen.
In een studie met Nieuw-Zeelandse kinderen bleek er een duidelijk verband te zijn tussen het totale serum lgE en de responsiviteit van de Iuchtwegen op methacholine. Dit suggereerde dat IgE oorzakelijk gerelateerd was aan BHR zelfs indien er geen sprake was van klinische aandoeningen van de luchtwegen (Sears et al. 1991). Alhoewel niet alle studies een correlatie vonden tussen serum globuline E en bepaalde karakteristicken van astma, ondersteunen grote epidemiologische studies de associatie tussen IgE, de klinische diagnose van astma en de responsiviteit van de luchtwegen. Eveneens werd in een vroegere Australische studie een sterke relatie aangetoond tussen de responsiviteit van de luchtwegen op histamine, symptomen van de ademhaling, allergie bepaalid door priktesten, roken en abnormale longfunctie (Woolcock et al. 1987). Allergische of hypergevoelige reacties, zijn inadequate reacties van het immuunsysteem, en kunnen leiden tot een aantasting van het longweefsel. De immunologische responsen van allergische en niet-allergische personen verschillen in verscheidene opzichten van elkaar, bv. ze uiten verschillende lymfocyten- en cytokine-profielen en hebben eveneens een andere cellulaire immuunrespons.
Tenslotte zijn er voldoende data beschikbaar die de link leggen tussen de responsiviteit van de luchtwegen op methacholine of histamine en allergie, zowel bij symptomatische als asymptomatischc personen. De aard van allergenen waarvoor men gevoelig is, de graad van gevoeligheid en de grootte van de blootstelling aan dat allergeen blijken zeer relevant te zijn in dit opzicht.
5. Besluit --------------------
Bronchiale hyperreactiviteit wordt dus beschouwd als een algemeen verschijnsel bij astma-patienten. Dit betekent echter niet dat alle personen met BHR, astmatische personen zijn. BHR wordt ook frequent geobserveerd bij patienten met chronische obstructieve ziektes van de longen. Wanneer men bij een individe een verandering van 20% in het longvolume waarneemt, weet men meestal niet of dit duidt op 'hypersensitiviteit' of 'hyperreactiviteit'. Nochtans is het zeker het ene of het andere of beide en wordt in het algemeen de term 'hyperresponsiviteit' gebruikt. 'Hypersensitiviteit' en 'hyperreactiviteit' refereren respectievelijk naar een afwijking links en een stijging van de helling in de dosis-respons curve. Omdat de meeste onderzoekcrs aannemen dat de bronchi de belangrijkste componenten zijn bij deze responsen worden de termen 'hyperresponsiviteit' en 'bronchiale hyperresponsiviteit' willekeurig door elkaar gebruikt.
De juiste mechanismen van BHR zijn niet duidelijk. Er blijkt een mogelijke link te zijn tussen infectie van de luchtwegen en het functioneren van het glad spierweefsel. De mechanismen van persisterende hyperreactiviteit en kortstondige hyperreactiviteit zijn mogelijk verschillend. Sommige van de mechanisnien, zoals een vermindering van de longinhoud, verhoogde permeabiliteit en iatrogene factoren kunnen een modulerende rol spelen. Een aantal van deze mechanisnien kunnen op elkaar inwerken om BHR te ontwikkelen, maar verschillende mechanismen blijken betrokken te zijn bij het veroorzaken van verschillende componenten van BHR.
Om de pathogenesis en de pathofysiologie van zowel BHR als inflammatie van de luchtwegen te bestuderen, werden toepasselijke diermodellen ontwikkeld. Toch geen enkel diermodel reproduceert het mechanisme dat teruggevonden wordt bij mensen. Een model dat de natuurlijke vernauwing van de luchtwegen en de persisterende verhoging van de responsiviteit van de luchtwegen weerspiegelt is onontbeerlijk. Zo worden ook de pathologische kenmerken niet geheel nagebootst aangezien geen enkel model een fundamentele verdikking van het membraan, dat men waarneemt bij menselijke individuen, weergeeft.
Niettegenstaande methacholine en histamine het meest gehanteerd worden voor het bepalen van de responsiviteit, zijn er vele stimuli die eveneens gebruikt kunnen worden. De meeste van deze alternatieve agentia worden de zogenaamde indirect-werkende stimuli genoemd, en zijn klaarblijkelijk minder gevoelig, maar meer specifiek, m.a.w. ze kunnen helpen bij het differentieren van astma t.o.v. andere luchtwegenaandoeningen. Er word gesuggereerd dat indirecte stimulatie zoals hyperventilatie met hypocapnische koude lucht, inspanning of inhalatie van adenosine monofosfaat (AMP) beter de inflammatoire toestand van de longen zou weergeven dan met methacholine of histamine toedieningen. Hierdoor kan men efficientere methoden gebruiken om de verschillende onderliggende mechanisme, die een verandering teweegbrengen bij allergeen-geinduceercie BHR, beter te doorgronden (Lotvall et al. 1998).
De rol van het in het serum aanwezige IgE bij het teweegbrengen van specifieke en niet-specifieke bronchiale hyperresponsiviteit blijft onvoldoende onderzocht. Het is niet geweten of de graad van responsiviteit op 1 of andere manier in verband kan gebracht worden met de concentratie aan allergeen-specifiek IgE, of dat IgE alleen volstaat om specifieke en niet-specifieke bronchiale hyperresponsiviteit te veroorzaken, of dat allergeen-hyperresponsiviteit en histamine-hyperresponsiviteit interafhankelijk zijn. Deze vragen kunnen echter een klinische relevantie hebben daar de onderzoeksgroep van Sears (1991) een nauw verband aantoonde tussen de hoeveelheid circulerende IgE en het voorkomen van astma bij patienten zowel met als zonder allergie. Daarbij komt nog dat, niet- specifieke BHR aangetoond kan worden in verscheidene andere omstandigheden waarbij allergeen-specifiek-IgE niet betrokken is, zoals chronische obstructieve bronchitis, virale infecties en bij rokers (Rabe 1998).
Uit al deze bevindingen kunnen we uiteindelijk de hypothese voorop stellen dat BHR, die wordt waargenomen bij CFS patienten, mogelijk te wijten is aan een virale infectie of veranderingen in het immuunsysteem, aangezien er zowel bij 'gezonde' individuen als bij astmatische personen met BHR, enige correlaties blijken te bestaan met inflammatoire processen, cytokines, IgE-levels, allergieen enz.
Deel 2: Experimenteel proefopzet --------------------------------
I. Situering van de experimentele proefopzet ------------------------------------------------------
Uit de literatuurstudie is reeds gebleken dat onderzoekers verschillende visies hebben, verschillende criteria hanteren omtrent het begrip CFS. Op allerlei gebieden wordt er gezocht naar mogelijke oorzaken en afwijkingen. Elke onderzoeker, arts, fysioloog enz. tracht een oplossing te zoeken over het Hoe? en Waarom? van CFS. Er is m.a.w. nood aan duidelijke gegevens waarop men zich kan baseren om CFS op te sporen, te genezen en vooral te vermijden. Omdat er nog steeds te weinig geweten is over CFS zal elk wetenschappelijk onderzoek, onafhankelijk van een positief of negatief resultaat, zijn steentje bijdragen om uiteindelijk het tipje van de sluier te kunnen oplichten. Men kan eigenlijk elk onderzoek beschouwen als een bouwsteen van een piramide waarvan de top het antwoord is op CFS. Vanuit deze uitgangssituatie tracht dit proefschrift eveneens een bijdrage te leveren tot de oplossing van het complexe vraagstuk CFS.
Dr. De Meirleir, hoofd van het departement sportgeneeskunde van het academisch ziekenhuis te Jette is sind 1990 bezig met talrijke onderzoeken omtrent CFS. Ze beschikken over een patientengroep van ongeveer 700 mensen en deze patienten komen regelmatig op controle. Zo weten ze voortdurend hoe het met de patienten is gesteld, hoe de ziekte evolueert, welke klachten ze hebben, of er verbeteringen zijn enz. Op deze manier konden ze vaststellen dat de patienten vaak last hadden van allergische reacties en kortademigheid. Deze factoren kunnen mee bijdragen tot het snel vermoeid geraken en het vroegtijdig stoppen met inspanningsproeven. Daarom stelde de onderzoeksgroep van De Meirleir voor om een histamine bronchoprovokatie test af de nemen om de eventuele aanwezigheid van bronchiale hyperreactiviteit op te sporen. Ze kwamen tot de constatatie dat meer dan de helft van de onderzochte patienten bronchiale hyperreactiviteit vertoonden. Door deze hoge prevalentie vonden ze dat bronchiale hyperreactiviteit zou moeten toegevoegd worden aan de lijst van mogelijke symptomen van CFS.
II. Probleemstelling ---------------------
Het percentage van voorkomen van bronchiale hyperreactiviteit bij CFS patienten bedraagt volgens De Meirleir ongeveer 60%. Deze bronchiale hyperreactiviteit komt pas tot uiting of ontstaat 'nadat' bij de patienten CFS geconstateerd werd. Het vaststellen van BHR bij CFS-patienten is belangrijk aangezien bronchiale hyperreactiviteit een aantal beperkingen met zich brengt. Die mogelijk mee kunnen bijdragen tot extreme vermoeidheid en langdurige recuperatie na inspanning. Het is dus de vraag of deze hoge prevalentie toevallig is en/of bronchiale hyperreactiviteit 1 van de gevolgen is van CFS of juist 1 van de oorzaken. In dit proefschrift zullen we dus nagaan wat de eventuele factoren zijn die aanleiding geven tot bronchiale hyperreactiviteit bij CFS patienten. Men moet er echter rekening mee houden dat we hier niet spreken over een symptoom dat meer voorkomt bij CFS patienten aangezien hierover geen aantoonbare bewijzen bestaan.
III. Doelstelling ------------------------
Het doel van dit onderzoek is na te gaan of er verschillen zijn qua cellulaire immuniteit tussen patienten met BHR en deze zonder BHR. Men stelt namelijk de hypothese dat BHR bij CFS patienten mogelijk getriggerd wordt door een viraal mechanisme. Het blijkt dat wanneer men de duurtijd van de aandoening gaat bekijken, patienten die recent CFS ontwikkelden meer BHR vertonen en naarmate de ziekte langer aanhoudt het virale aspect van het syndroom op de achtergrond geraakt. Bijgevolg concludeert men hieruit dat ook de mate waarin BHR voorkomt zal verminderen. Tevens vertonen allergische reacties een hoge correlatie met de aanwezige IgE antilichamen en vermits BHR nauw aansluit bij allergische reacties tracht men hier te onderzoeken of BHR, bij CFS patienten, iets te maken heeft met eventuele verschillen in het immuunsysteem.
IV. Materiaal en methoden ----------------------------------
1. Proefpersonen --------------------------
De totale patientenpopulatie van de afdeling sportgeneeskunde te Jette die getest werden op CFS bedraagt ongeveer 700. Deze werden zowel onderworpen aan de Holmes criteria(1988) als aan de Fukuda criteria(1994). De personen die voor beide criteria positief bevonden werden, werden gebruikt voor het onderzoek. Uit deze groep werden diegenen geselecteerd waarvan zowel een longfunctie onderzoek als een immunofenotypering in hun dossier terug te vinden was. Uiteindelijk bleven er in het totaal 198 proefpersonen over. Deze splitste men in twee groepen; deze met bronchiale hyperreactiviteit en deze zonder bronchiale hyperreactiviteit. Het aantal patienten met bronchiale hyperreactiviteit omvatte 90 het aantal zonder 108. Deze twee groepen werden vervolgens gematcht volgens leeftijd en geslacht. Het onderzoek werd uiteindelijk uitgevoerd met 68 vrouwen en 10 mannen die zowel wat betreft CFS als BHR positief bevonden werden. De controle groep bestond uit 68 vrouwen en 10 mannen die enkel positief waren wat betreft CFS. De leeftijdsklassen van de groep met BHR en zonder BHR schommelden tussen 18 en 65 voor de vrouwen en tussen 17 en 53 voor de mannen. Om enige duidelijkheid te scheppen volgt hieronder een schematisch overzicht.
Na matching: Zonder BHR: 68 vrouwen 10 mannen Met BHR : 68 vrouwen 10 mannen Schema 1: Voorstelling van de onderzoekspopulatie
2. Materiaal en methoden ----------------------------------
Van elke patient was er een longfunctie onderzoek, inclusief bronchoprovokatie test en een immunofenotypering beschikbaar.
a) Immunofenotypering -------------------------------
Hierbij telt men de verschillende cellen van het immuunsysteem zowel in procentueel aantal als per/mm3. De afzonderlijke cellen kan men herkennen door immunocytochemie met antilichamen tegen de specifieke oppervlaktemerkers. Door hieraan gekoppelde labelling met nu fluoriscentie moluculen kan men de verschillende celtypen scheiden en tellen.
Alle immunofenotyperingen die in dit onderzoek gebruikt werden zijn bepaald door de afdeling hematologie-immunologie van het academisch ziekenhuis te Jette. Hieronder volgt een beschrijving van de techniek die Dr. Demanet, afdelingshoofd van de afdeling hematologie-immunologie, hiervoor toepast.
Bloedstalen en cytometrische flow-analyses ------------------------------------------
Ongestold bloed (middels toevoeging van EDTA) werd steeds 's morgens tussen 9 en 11 nur afgenomen en gebruikt voor de telling van witte bloedcellen, differentiele tellingen en flow-cytometrische studies. Na volledige bloedlysis werden de lymfocytenpopulaties geanalyseerd met een directe tweekleuren immuno-fluorescentie via een Facscan (Becton Dickinson, San Jose, CA) flow-cytometer gebruikmakend van de "CONSORT 30" computer software. 100 ul bloed werd geincubeerd met de geschikte combinatie van monoclonale antilichamen gedurende 25 mm bij 4 graden Celsius. Vervolgens werden de rode bloedcellen vernietigd door incubatie met lysisbuffer (Becton Dickinson) gedurende 7 min, gecentrifugeerd en 1 maal gespoeld met 2 ml fosfaat gebufferde zoutoplossing (phosphate buffered saline; PBS). Na resuspensie in PBS werden de cellen onmiddellijk geanalyseerd.
Tabel 2 geeft de antigenen weer waartegen specifieke monoclonale antilichamen werden gebruikt, gelabeld met nu oresceine isothiocyanaat (FLTC) of phycoerythrine (PE).
Tabel 2: Overzicht anti2enen + spedilieke monoldonale antilichamen -------------------------------------------------------------------------- CD Monokionale Subset Antilichamen -------------------------------------------------------------------------- CD2+ Leu5b+ E-rosette receptor CD3+ Leu4+ T-cellen CD3+HLADR+ Leu4+HLADR+ Geaktiveerde T-cellen CD25+ IL2R1 Geaktiveerde cellen CD4+ Leu3a+ Helper/Inducer T-cellen CD4+CD4SRA- Leu3a+Leu18- Memmory CD4-cellen CD4+CD45RA+ Leu3a+Leu18+ Virgin CD4-cellen CD8+ Leu2a+ Cytotoxische/Suppressor T-cellen CD8+CD11b+ Leu2a+Leu15+ Suppressor cellen/NK subset 008+0011b- Leu2a+Leul5- Cytotoxische T-cellen CD19+ Leul2 B-cellen CD19+005+ Leul+Leu12+ CD5+B-cellen CD3-CD16CD56+ Leu4-Leu11cLeu19+ NK-cellen CD3+CD16CD56+ Leu4+Leu11cLeu19+ Subset cytotoxische T-cellen --------------------------------------------------------------------------
Leu4-FITC (CD3) werd gecombineerd met HLA DR-PE, om geactiveerde T-cellen te herkennen en met Leu11-PE(CD11b) en met Leu 19-PE (CD56) om respectievelijk het totaal aantal CD3- en CD3+ granulaire lymfocyten en NK-cellen te bepalen; Leu 3a-FITC (CD4) of helper/inducer cellen gecombineerd met ofwel Leu18-PE (CD45RA), om virgin CD4 cellen te meten, en met Leu18-PE om supressor/ inducer CD4-cellen te meten; Leu5b-FITC (CD2) of erythrocyt- receptor- dragende cellen van een schaap gecombineerd met IL2R1-PE (CD25) om geactiveerde T-cellen en NK-cellen te herkennen; T8-FITC (CD8) of cytotoxische/supressor T-cellen met Leu15-PE (CD11b) die een supressor cel/NK subset herkent of met Leu7-PE (CD57) dat eveneens een NK subset meet. Tenslotte werd Leu12-FITC (CD19) gecombineerd met Leu16-PE (CD2O) om de volwassen B-cellen te meten.
Alle reagens werden verkregen via Becton-Dickinson.
Schattingen van het absoluut aantal lymfocyten in een populatie, die positief of negatief waren voor de respectievelijke oppervlakte merkers werden bepaald door de perifere lymfocyten tellingen te vermenigvuldigen met het percentage van elke positieve of negatieve oppervlaktemerker.
b) Histamine bronchoprovocatietest --------------------------------------------
De testen werden afgenomen door de afdeling pneumologie van het academisch ziekenbuis te Jette. Dhr. D. Schuermans en Prof Dr. M. Noppen gebruiken voor de Histamine-Methacholinebronchoprovocatietest volgende methodologie:
1. Materiaalgebruik -----------------------------
Histamine ---------
Als oplossing gebruikten ze:1) NaCI 0,9% 2) Histaminefosfaat oplossing 8 mg/ml 3) Histaminefosfaat oplossing 32 mg/ml
Als toedieningsapparatuur gebruikten ze de Mefar MB3 aerosol dosimeter (compressiedruk van 1,6 tot 1,8 Kg/cm2) Alle gebruikte aerosol recipienten hebben een debiet van 10 mg/sec. In deze opstelling zijn 89% van de gegenereerde partikels tussen 0,5 en 4ug (MAD).
Dosistoediening --------------- Histamineconcentratie Aantal Inhalatietijd Inhalatie Cumulatieve inhalaties dosis dosis --------------------------------------------------------------------------- 1. NaCI 0,9% 1 1s 0 mg 0 mg 2. 8mg/ml 2 1s 0,16mg 0,16mg 3. 8mg/ml 4 1s 0,32mg 0,48mg 4. 8mg/ml 7 1s 0,56mg 1,04mg 5. 32mg/ml 3 1s 0,96mg 2,00mg 6. 32 mg/ml 6 1s 1,92mg 3,92mg ---------------------------------------------------------------------------
Metacholine -----------
Volgende oplossing werd gebruikt:1) NaCI 0,9% 2) Metacholinebromide oplossing 20 mg/ml
Toedieningsapparatuur: Mefar MB3 aerosol dosimeter (compressiedruk van 1,6 tot 1,8 Kg/cm2). Alle gebruikte aerosol recipienten hebben een debiet van 10mg/sec. In deze opstelling zijn 89% van de gegenereerde partikels tussen 0,5 en 4ug (MAD).
Dosistoediening --------------- Histamineconcentratie Aantal Inhalatietijd Inhalatie Cumulatieve inhalaties dosis dosis --------------------------------------------------------------------------- 1. NaCI 0,9% 1 1s 0 mg 0 mg 2. 20mg/ml 1 1s 0,2mg 0,2mg 3. 20mg/ml 1 1s 0,2mg 0,4mg 4. 20mg/ml 2 1s 0,4mg 1,8mg 5. 20mg/ml 4 1s 0,8mg 1,6mg 6. 20mg/ml 8 1s 1,6mg 3,2mg ---------------------------------------------------------------------------
2. Testprotocol -------------------------
1. Er wordt steeds een volledig basaal longfuctie onderzoek uitgevoerd.
- Flow-volumecurve (spirometrie) - Transferfactor - Longvolumes - Longweerstanden
2. Na een rustpauze van + 5 mm en indien de bekomen basale waarden het toelaten, gaat men over tot de Histamine-(Methacholine)-bronchoprovocatie- test.
3. De cumulatieve dosissen, zoals hierboven beschreven, worden toegediend. Tussen elke stap in word er een rusipauze gerespecteerd van + 2 mm en wordt er terug een spirometriemeting gedaan. Van belang is de eventuele daling van de FEV1. Vanaf er een daling wordt vastgesteld van 20% of meer ten opzichte van de basiswaarde, wordt de provocatietest be&ndigd. Er worden, indien mogelijk, telkens 3 opeenvolgende spirometriemetingen gedaan. Na een provocatietest wordt er steeds een dilator toegediend. Meestal 2 x 1 puff 100mg Ventolin. Na een inwerkingsperiode van ongeveer 10mm. wordt de provocatietest afgesloten met een laatste spirometriemeting. Indien er geen belangrijke verbetering is opgetreden, wordt na ongeveer 10 min nogmaals overgegaan tot een nieuwe spirometriemeting. Dit wordt telkens herhaald totdat de patient, ongeveer terug zijn basiswaarde heeft bereikt.
V. Resultaten -----------------------
De 13 antigenen, die gekleurd werden door middel van specifieke antilichamen werden dus in procentueel aantal en per /mm3 opgeteld. Dit werd afzonderlijk gedaan voor de groep met BHR en deze zonder BHR. Vervolgens werd met het statisch verwerkingsprogramma Statview een gepaarde t-test toegepast om de significante verschillen eruit te halen. De resultaten werden getest op de 5% grens.
Via deze gepaarde t-toets blijken het relatief aantal CD25+ cellen, dit zijn de geaktiveerde cellen, een significant verschil op te leveren met een P-waarde van 0,045. Deze waarde betekent dat de CD25+ cellen van de groep met BHR op de 5 % grens significant verschillen van de CD25+ cellen van de groep zonder BHR. De groep met BHR heeft, in relatief aantal, meer geaktiveerde cellen dan de controle groep.
Eveneens blijken de CDS+CD11- cellen van de groep met BHR, in procentueel aantal significant te verschillen van de groep zonder BHR. Maar integenstelling tot de CD25+ cellen zijn er nu minder cytotoxische T-cellen (CD8+CD11b-) aanwezig bij de groep die positief bevonden word wat betreft BHR. Dit significante verschil werd gevonden met een P-waarde van 0,04 op de 5 % grens.
De CD8+CD11b+ cellen uitgedrukt in % zijn net NIET significant op de 5 % grens. Deze suppressor/NK subset cellen hebben in dit onderzoek een P-waarde van 0,05. De ratio CD4/CD8 van beide groepen heeft de grootste overlapping met een P-waarde van 99 %. Wat de andere cellen betreft werden er geen significante verschillen gevonden op de 5% grens. De overige P-waarden schommelen tussen de 0,07 (% CD4+CD45RA-) en de 0,87 (%CD19+CD5+).
VI. Besluit --------------------
De geaktiveerde cellen en de cytotoxische T-cellen werden, in relatief aantal, significant verschillend bevonden tussen de personen met en zonder bronchiale hyperreactiviteit.
De resultaten worden getest met een gepaarde t-toets op de 5 % grens, wat een redelijk strenge toets is. Er werd gekozen voor een gepaarde t-toets omdat we niet wisten aan welke zijde een eventuele afwijking zou verschijnen. Op de vooropgestelde grens werden enkele significante verschillen gevonden die een mogelijke link vertonen met BHR. De geaktiveerde cellen, die gekenmerkt worden door het CD25+ antigeen werden met een hoger percentage teruggevonden bij de groep met bronchiale hyperreactiviteit. Het CD25+ antigeen is dus aanwezig op geaktiveerde cellen, waaronder de T-lymfocyton, B-lymfocyton, NK-cellen en sommige macrofagen. Dit betekent dat het immuunsysteem, bij personen met bronchiale hyperreactiviteit, actiever is dan bij de groep zonder BHR. Hieruit kunnen we stellen dat het immuunsysteem misschien te actief is waardoor allerlei mechanismen op gang gebracht worden waaronder het ontwikkelen van BHR.
De CD8+CD11b- antigenen worden gekleurd om de cytotoxische T-cellen aan te tonen. Ook deze cellen werden significant verschillend bevonden in procentueel aantal. Er zijn minder cytotoxische T-cellen teruggevonden bij de groep met BHR. De cytotoxische T-cel is een subset van de T-lymfocyten en vernietigt de cellen van de gastheer die geinvadeerd worden met vreemde antigenen. Daar ze met minder vertegenwoordigd zijn bij personen met BHR kunnen we veronderstellen dat er minder cellen aanwezig zijn die tegen de vreemde antigenon werken waardoor het wel eens mogelijk zou kunnen zijn dat de antigenen de overhand krijgen en zo aanleiding geven tot BHR. De suppressor T-cellen daarentegen waren net niet significant. De suppressor cellen onderdrukken de produktie van antilichamon door B-cellen en de activiteit van zowel helper- als cytotoxische T-cellen. Indien ze wel significant zouden verschillen zijn er, in relatief aantal, meer supressor cellen aanwezig bij de groep met BHR. Dus zouden er bij de groep MET bronchiale hyperreactiviteit en minder cytotoxische cellen aanwezig zijn en meer supressor cellen dan bij de controle groep. Dit zou misschien 1 van de mogelijke oorzaken kunnen zijn waardoor BHR getriggerd wordt daar de cytotoxische T-cellen instaan voor de vernietiging van de antigenen en hun activiteit nog eens onderdrukt wordt door de suppressor cellen.
Toch moeten we er rekoning mee houden dat patienten met het chronisch vermoeidheidssyndroom over het algemeen al een verschillende immuniteit vertonen t.o.v. personen zonder het syndroom. Men is er nog niet in geslaagd om een immunofenotypering, typisch voor CFS, te omschrijven omdat de vele afwijkingen slechts gelden voor een aantal van de CFS- patienten, aangezion de meeste afwijkingon voor het grootste gedeelte overlappen met die van de normale controle groep of omdat de resultaten elkaar tegenspreken. Demanet et al. onderzochten het immunologisch profiel van Belgische CFS-patienten en constateerde dat er op basis van het CD4+ T cel fenotype twee grote subgroepen van CFS patienten herkend kunnen worden: de ene groep vertoont een hyperreactief patroon, de ander een laag respons patroon.
Het is echter niet duidelijk of deze subpopulaties gescheiden entiteiten zijn of verschillende stadia vertegenwoordigen van het zelfde ziekteproces. Deze immunologische afwijkingen zijn gebaseerd op de aanvaarde hypothese over de etiologie van CFS, namelijk dat deze aandoening veroorzaakt wordt door een infectieuze trigger. een daaropvolgende chronische activatie van het immuunsysteem zou vervolgens kunnen leiden tot CFS.
In dit onderzoek trachtten we dus te achterhalen of BHR evontueel mee getriggerd wordt door een viraal mechanisme. Hiervoor moesten we de groep met BHR en deze zonder BHR selecteren uit de populatie van menson die positief bevonden werden wat betreft CFS. Indien we voor de controle groep een 'gezonde'populatie zouden nemen, krijgen we misschien significante verschillen die niets te maken hebben met het verschijnen van BHR maar het resultaat zijn van het chronisch vermoeidheidssyndroom. Als de ontwikkeling van BHR iets te maken zou hebben met de immunologische afwijkingen die gevonden werden in het onderzoek van Demanet et al. dan zou BHR vastgesteld zijn bij ofwel de hyperreactieve groep ofwel bij de groep met het laag respons patroon. Toch is dit niet helemaal waar aangezien nog niet achterhaald word of deze 2 subgroepen verschillende entiteiten zijn of verschillende stadia vertegenwoordigen van het zelfde ziekteproces. Een onderzoek op longitudinale basis is dus onontbeerlijk.
We merken ook op dat de immunofenotyperingon van de patienten die in dit experiment gebruikt worden slechts 1 maal gemeten werden. Er zijn echter een aantal variabele parameters (o.a. leeftijd, geslacht, ziektestatus, voedingsgewoonton, gemoedstoestand, het nemen van medicatie, stress) die de immunofenotypering kunnen beinvloeden. Het zou dus beter zijn per patient de immunofenotyperingen te verzamelen over een heel jaar (bijvoorbeeld elke maand). Zodat factoren zoals gezondheidstoestand op het moment van de afname weggewerkt worden en er dus rekening wordt gehouden met de intra- variabiliteit.
Door de omvang van de groepen, dit is voor de onderzoeksgroep zowel als voor de controlegroep 78 personen, kunnen de resultaten niet beinvloed worden door inter-variabiliteit. Een mogelijke factor die meespeelt bij de intervariabiliteit is of de patient al dan niet rookt. Het roken kan eventueel de BHR stimuleren, maar rokers en niet-rokers werden willekeurig in het onderzoek gebruikt en zijn dus zowel in de onderzoeksgroep als in de controle groep vertegenwoordigd. Tevens wordt de omvang van de groepen groot gonoeg geacht om, indien er significante verschillen zouden optreden, men dit met zekerheid mag aanvaarden als zijnde een verschil.
De personen van de CFS-populatie waarmee dit experiment gedaan word, hebben praktisch allemaal de Belgische nationaliteit. Toch wezen Abbot et al. (1994) erop dat immunologische bevindingen kunnen varieren tussen populaties. We mogen dus niet stellen dat de gevonden verschillen gelden voor elke CFS-populatie. Ter controle is dus minstens een tweede gelijkaardig experiment met een totaal andere CFS-populatie aangewezen.
De groepen werden eigenlijk niet 'ad random' gekozen daar we enkel diegenen konden gebruiken die en een immunofenotypering en een bronchoprovokatietest in hun dossier hadden. Dus van de 700 CFS-patienten bleven er slochts 198 over die men dan nog eens moest onderverdelen in deze zonder en deze met bronchiale hyperreactiviteit.
De datum waarop de bloedafname gebeurde, om een immunofenotypering op te stellen van de CFS-patienten, is dezelfde als deze waarop de broncho- provokatietesten gebeurden. Er zijn slechts enkelen, waarvan de data van afname met 1 dag verschillen. Daar de bronchoprovokatietesten redelijk duur zijn, worden ze enkel aangevraagd met toestemming van de patient. Het is ook zo dat BHR misschien genetisch bepaald is en dat deze BHR getriggerd wordt door CFS. Daarbij is het ook mogelijk dat de patienten asymptomatische BHR bezitten voor de aanvang van CFS en symptomen uiten die ze niet als abnormaal herkennen. Het is dus best mogelijk dat de aandoening enkel de bronchiale hyperroactiviteit versterkt. Men heeft bijgevolg de foutieve neiging om CFS te omschrijven als oorzaak van de ontwikkeling van BHR. We moeten ook rekening houden met vals-negatieve bronchoprovokatietesten. Hiermee bedoelen we dat BHR zeer variabel kan zijn en de symptomen tijdsgebondon gerelateerd moeten worden met de afname van de test alvorens we kunnen spreken van een negatieve of positieve test (Cockeroft 1997). Beroepsgebonden BHR en personen met seizoensgebonden BHR kunnen daarbij een normale responsiviteit van de luchtwegen vertonen wanneer ze buiten het seizoen of werkomgeving getest worden.
Er werd geen rekening gehouden met de ziekteduur. Hiermee bedoelen we dat het tijdstip waarop CFS geconstateerd word bij de patienten niet ingecalculeerd is in het onderzoek. Eveneens hebben we geen rekening gehouden met de ernst van BHR. Dus de onderzoeksgroep bestaat uit een populatie van menson die pas en reeds lange tijd CFS hebben en verschillende graden van BHR vertonen. Als we stellen dat BHR vermindert naargelang de duurtijd van de ziekte, waarbij men veronderstelt dat het oorzakelijk verband gerelateerd is aan het viraal aspect dat op de achtergrond geraakt, dan moet men de immunofenotyperingon rangschikken naargelang de lengteduur van de aandoening. Dit konden we moeilijk toepassen in dit onderzoek omdat de 78 personen dan nog eens moesten gematcht worden volgens de duurtijd van CFS. Dan rijst meteen het volgende probleem namelijk dat de exacte duurtijd van CFS bij de patienten moeilijk te bepalen is. Ze hebben misschien al jaren last van extreme vermoeidheid maar tot voor kort werd CFS vastgesteld. Het nagaan van het tijdstip van de eigenlijke 'onset' van CFS is m.a.w. gebaseord op retrospectief onderzoek. Dit houdt in dat de gegevens niet echt nauwkeurig zijn omdat zo gebaseerd zijn op herinnering.
Mawle et al. (1997) suggereerden eveneens dat de aard van de ziekteaanvang een belangrijke factor zou kunnen zijn bij het selecteren van CFS gevallen voor studie, en zou moeten gebruikt worden voor de stratificatie van analyse gegevens.
De oorsprong en de mechanismen van BHR zijn nog steeds niet achterhaald. Een van de mogelijke mechanismen heeft te maken met inflammatie van de luchtwegen. Het lijkt dat er een mogelijke link bestaat tussen inflammatie van de luchtwegen en de gladde spieren van het longweefsel, waarbij waarschijnlijk nourohumorale wegen betrokken zijn.
Er blijken eveneens verschillendc mechanismen te bestaan tussen persisterende en transiente BHR. Sommige mechanismen kunnen een modulerende rol spelen o.a. vermindering van de longinhoud, verhoogde permeabiliteit en iatrogene factoren. Aangezien BHR dus niet 1 enkele oorsprong kent en er verscheidene mechanismen zijn, kan BHR bij CFS-patienten dus verschillende oorzaken of verschillende triggers omvatten. Een van de hypothesen is dat de infectie die CFS ontwikkelde een chronische inflammatie van de longen veroorzaakt en deze inflammatie bijgevolg verantwoordelijk is voor de persisterende BHR.
We moeten ook opmerken dat het immuunsysteem nog andere elementen omvat die niet nagegaan werden in dit onderzoek, o.a. de cytokines. Dit zijn, zoals reeds eerder vermeld, de stoffen die de communicatie regelen tussen de cellen van het immuunsysteem. Er werd reeds aangetoond dat een aantal cytokines, inclusief interleukine-1(IL-1), IL-2, en TNF-a de responsiviteit van de longen verhogen (Turner & Martin 1997). Het is dus aanneembaar dat een wijziging in de 'normale' hoeveelheid van deze cytokines in het lichaam eveneens verantwoordelijk kunnen zijn voor het verschijnen van BHR. Een mogelijke oorzaak van BHR bij CFS-patienten kan te wijten zijn aan interleukine-13 (Remick & Friedland 1997). Interleukine-13 is een cytokine dat veel gelijkenis vertoont, wat betreft zijn werking met interleukine-4. Het werkt op de B-lymfocyten en monocyten, maar in tegenstelling tot IL-4 niet op T-lymfocyten. Het is duidelijk dat dit cytokine een aantal belangrijke anti-inflammatoire en immuunmodulerende activiteiten bezit. IL-13 oefent talrijke effecten uit op de monocyten, macrofagen en B-Iymfocyten. Daarnaast stelt men dat de expressie van IL-13 op B-lyvnfocyten en mastcellen belangrijk kan zijn bij de pathogenesis van atopie, waardoor er een mogelijke link gelegd is met BHR.
Eveneens zijn er aanwijzingen in de ricbting van interleukine 5 & 9 (Remick & Friedland 1997). IL-5 is een cytokine hoofdzakelijk afkomstig van T-cellen en heeft veelzijdige regulerende functies wat betreft de eosinofielen en de anti-lichamen producerende B-cellen. IL-5 werd over de jaren heen belangrijk bij het onderzoeken van parasitaire infecties en allergische verstoringen. IL-5 mRNA werd aangetoond bij allergische reacties, zoals in de mucosa van de luchtwegen van personen met astma en bij personen met seizoens-gebonden allergische rhinitis. Talrijke effecten gerelateerd met allergische fenomen werden toegeschreven aan IL-5.
IL-5 veroorzaakt rechtstreeks de vrijlating van histamine en in vitro de generatie van leukotriene C4 van menselijke basofielen. Leukotrinen zijn mediators die o.a. bronchoconstrictie veroorzaken. De productie van IL-5 door een gespecialiseerde subpopulatie van T-lymfocyten werd aangetoond in bronchoalveolaire cellen van astma-patienten. De centrale rol van eosinofielen, als een belangrijke proinflammatoire cel, en de betrokkenheid van IL-5 in de recrutering en activatie van eosinofielen werd wereldwijd geaccepteerd en men baseert zich hierop voor het huidige en verdere onderzoek. Daarbij stemt de recrutering van eonsinofielen in tijd overeen met een verhoging van BHR (Kraneveld et al. 1997).
Tenslotte hebben we IL-9. De expressie van IL-9 lijkt beperkt te zijn tot geaktiveerde T-cellen. Dit cytokine wordt beschouwd als de regulerende sleutel van de groei en differentiatie van mast-cellen. Recente observaries toonden aan dat dit cytokine de expressie teweegbrengt van protease-genen op mastcellen en dat de expressie van de a-keten van IgE receptoren, met een hoge affiniteit, verhoogt wordt door IL-9. Niettegenstaande de functionele gevolgen van deze observaties nog moeten achterhaald worden, wijzen ze duidelijk op het belang van de relatie tussen mast-cellen en T-cellen en ondersteunen de potentiele betrokkenheid van IL-9 in fysiologische situaties die deze celtypes impliceren (Remick & Friedland 1997).
Uit al deze bevindingen stellen we de hypothese dat cytokines mogelijk betrokken zijn bij het veroorzaken van bronchiale hyperreactiviteit in de longen van CFS patienten. Misschien verhogen ze de vrijlating van histamine uit o.a. de mastcellen en basofielen waardoor er extreme bronchoconstrictie optreedt, aangezien histamine de grootste mediator is van bronchoconstrictie. Er zijn verschillende wegen om histamine vrij te maken. Bijgevolg kunnen andere, niet-gerelateerde mediatoren, eveneens instaan voor de vrijlating van histamine. Zo blijkt IL-13 talrijke effecten te hebben op o.a. de macrofagen en de B-Iymfocyten, IL-5 blijkt betrokken te zijn bij allergische reactie en IL-9 stimuleert de groei en differentiatie van mastcellen en deze mastcellen bevatten histamine.
Daarnaast zijn er ook andere mediatoren, naast histamine, die bronchoconstrictie veroorzaken. Een van deze mediatoren is o.a. PAF (Platelet Activated Factor). Verscheidene bevindingen suggereren dat antigeen-geinduceerde vrijlating van PAF, een mogdlijke rol speelt bij de activatie van de bloedplaatjes cm de infiltratie van de eosinofielen te initieren, welke op hun beurt bijdragen tot bronchiale hyperreactiviteit (Watson & Snapper 1997). Ook LTB4 is een leukotrieen dat ontstekingscellen zal aantrekken, die mogelijk kunnen leiden tot hyperresponsiviteit. Alam (1990) wees eveneens op de aanwezigheid van histamine releasing factors (HRF), ze representeren een heterogene groep substanties die histamine en leukotrienen vrijmaken uit mastcellen en basofielen. HRF wordt geproduceerd door vele cellen o.a. T-cellen, B-cellen, monocyten, neutrofielen en bloedplaatjes. Uit zijn onderzoek bleek dat spontane productie van HRF een hoge correlatie vertoonde met BHR.
Het is bijzonder moeilijk om eventuele immunologische verschillen op te sporen bij deze CFS-patienten met BHR, daar er geen gegevens beschikbaar zijn over immunofenotyperingen van patienten met BHR zonder CFS. Indien men had onderzocht of patienten met BHR en deze zonder BHR een verschillende immunofenotypering hadden dan kon men zich baseren op deze resultaten. Meerbepaald, indien men significante verschillen zou hebben gevonden ken men in deze ricbting gaan zoeken. Tevens zijn de andere mogelijke mechanismen van BHR nog niet onderzocht bij CFS patienten.
Een andere hypothese is dat BHR getriggerd wordt door 2-5A synthetase/ RNase L. Suhadolnik et al. (1997) dachien dat de klinische en immunologische abnormaliteiten, geobserveerd bij CFS patienten, mogelijk defecten omvatten in het 2-5A synthetase/Rnase L mechanisme. Dit mechanisme is een antiviraal verdedigingsmechanisme bij zoogdiercellen en werd eveneens geimpliceerd bij de regulatie van celgroei en differentiatie. De onderzoeksgroep meent dat de afwezigheid van 80-kDa en 40-kDa RNase L en de aanwezigheid van RNase L met een laag moleculair gewicht correleert met de mate van de klinische presentatie van CFS. De hypothese dat 2-5 synthetase/Rnase L een andere mogelijke oorzaak kan zijn van BHR bij CFS patienten kwam door een onderzoek waarbij vastgesteld werd dat meer dan de helft van de CFS patienten met BHR positief bevonden werden wat betreft Rnase L.
Uit al deze resultaten kunnen we dus afleiden dat dit onderzoek zijn steentje bijdraagt tot het complexe vraagstuk CFS. We kunnen geen concrete antwoorden geven wat betreft de gevonden resultaten aangezien we niet weten of de significante verschillen de oorzaak zijn van BHR of juist een gevolg ervan. Dit omdat er ten eerste geen algemeen aanvaarde immunologische abnormaliteiten bestaan bij CFS-patienten en ten tweede omdat er nog heel wat onzekerheid heerst omtrent de oorsprong en de mechanismen van BHR bij patienten zonder CFS. Tech is het merkwaardig dat bronchiale hyperreactivireit bij CFS-patienten zich ontwikkelt of getriggerd wordt. Omdat men veronderstelt dat 1 van de oorzaken van CFS een viraal aspect omvat is het niet ondenkbaar dat het verschijnen van BHR mee getriggerd wordt door dir viraal mechanisme.
Uit dit experiment besluiten we dat er verschillen bestaan tussen CFS patienten met BHR en zonder BHR. Toch moeten deze verschillen kritisch geanalyseerd worden op hun significantie. Br zijn verschillende hypothesen die een mogelijke link aantonen tussen de cellen van het immuunsysteem en BHR. De hypothese, waarvan we in dit onderzoek uitgingen, wordt niet verworpen omdat ze vele aspecten omvat die in dit experiment niet allemaal werden nagegaan. Het is een hypothese die een groter geheel omsluit. De basis is dus gelegd om te achterhalen welke factoren, die betrokken zijn bij het immuunsysteem, mogelijk BHR triggeren. Het oplossen van dit probleem is niet onbelangrijk aangezien bronchiale hyperreactiviteit mee verantwoordelijk kan zijn veer de extreme vermoeidheid en de langdurige recuperatie na inspanning.
Op dit gebied en nog vele andere omtrent CFS zijn verdere studies echter noodzakelijk opdat uiteindelijk alle stukjes in elkaar passen en het hoe en waarom van het chronisch vermoeidheidssyndroom kan achterhaald worden. Zo kunnen wetenschappers en medici een belangrijke stap zetten 'to care' en hopelijk in de toekomst ook 'to cure'.
Referentielijst ---------------
Abbot N, Spence V, Lowe G (1994) Immunologic findings may vary het ween populations. BMJ 308; 1299-1299
Abraham W, Sieiczak M, Ahmed A (1994) Alpha 4-integrins mediate antigen-induced late bronchial responses and prolonged airway hyperresponsiveness in sheep. I Gun Invest 93:776-787
Alam R (1990) Cytokines and bronchial hyperreactivity. Agents Actions Suppl 3 1:147-162
Allegra L, Bianco S (1980) Non-specific broncho-reactivity obtained with an ultrasonic aerosol of distilled water. Eur Respir J 61:41-49
Aci R, Nakashima I, Kitamura Y (1989) Histamine synthesis by mouse T-Iymphocytes through induced histidine decarboxylase. Immunology 66:219-223
Atkinson EA, Gerrard IM, Hildes GE, eenberg AU (1990) Studies of the mechanism of natural killer degranularion and cytotoxicity. J Leukoc Biol 47:39-48
Barker F, Fujimura 5, Fadem M (1994) Immunologic abnormalities associated with chronic fatigue syndrome. Clin Infect Dis 18:136-141
Bechtel I, Starr T, Dantzker ID, Bower 1(1980) Airways hyperreactivity in sarcoidosis. Am Rev Respir Dis 121:110
Behan P. Behan W (1988) Post-viral fatigue syndrome. CRC Grit Rev in Neurob 4:157-178
Britton J (1988) Is hyperreactivity the same as asthma? Eur Respir 1478-479
Bryant 0, Bums M, Lazarus L (1975) The correlation between skin tests, bronchial provocation tests and the serum level of IgE specific for common allergens in patients with asthma. Clin Allergy 5:145-157
Buchwald 0, Cheney P. Peterson ID (1992) A chronic illness characterized by fatigue, neurologic and immunologic disorden, and active human herpesvirus type 6 infection. Ann Intern Med 116:103-113
Casale T, Rhodes B, Donelly A (1987) Airway responses te methacholine in asymptomatic nonatopic cigarette smokers, J Appl Physiol 62:1888-1892
Casale T, Rhodes B, Donelly A (1988) Airway reactivity te methacholine in nonatopic asymptomatic adults. J Appl Physiol 64:2558-2561
Casale T, Wood 0, Richerson H (1987) Elevated bronchoalveolar lavage nu id histamine levels in allergie asthmatics are associated with methacholine bronchial hyperresponsiveness. J Clin Invest 79:1197-1203
Chai H, Farr R, Froehlich L (1975) Standardisation of bronchial inhalation challenge procedures. J Allergy Clin Immunol 56:323-327
Chaudhuri A, Watson W, Behan P (1998) Arguments for a role of abnormal lonophore function in chronic fatigue syndrome. In: Yehuda 5, Mostofsky ID (eds) Chronic fatigue syndrome. Humana Press,
Cheney P (1992) Evidence for T-cell activation by soluble 1L2-R and T8-R in the chronic fatigue syndrome. In: Anonymous The clinical and scientific basis of M.E./CFS. pp 618-622
Cheney P, Dorman S, Bell ID (1989) Interleukin-2 and the chronic fatigue syndrome. Ann Intern Med 110:321
Cockcroft ID (1997) Airway responsiveness. In: Barnes P, Granstein M, Leff A, Woolcock A (eds) Asthma. Lippencott-Raven, Philadelphia, pp 1253-1266
Cockcroft D, Berscheid B, Murdock K (1983) Unimodal distribution of bronchial responsiveness te inhaled histamine in a random human population. Chest 83:751-754
Cockcroft ID, Killian ID, Mellon J, Hargreave F (1977) Bronchial reactivity te inhaled histamine; a method and clinical survey. Gun Allergy 7:235-243
Croft M (1994) Activation of naive, memory and effector T cells. Current Opinion in Immunol 6:431-437
Dale J, Bisceglio A, Hofnagle J, Straus S (1991) Chronic fatigue syndrome : lack of asociation with hepatitis C virus infection. J Med Virol 34:119-121
DeFreitas B, Hilliard B, Cheney P. Bell ID (1991) Retroviral sequences related te human T-lymphotropic virus type II in patients with chronic fatigue immune dysfunction syndrome. Proc Natl Acad Sci USA 88:2922-2926
Demitrack M (1994) Neuroendocrune aspects of the chronic fatigue syndrome : Implications for diagnosis and research. In: Straus S (ed) Chronic fatigue syndrome. Marcel Dekker, pp 285-308
Demitrack M, Dale J (1991) Evidence for impaired activation of the hypothalamic-pituitary-adrenal axis in patients with chronic fatigue syndrome. J Clin Endocrinol Metab 73:1224-1234
Dowsett EQ (1990) Myalgic encephalomyclitis - a persistent enteroviral infection ? Postg Med J 66:526-530
Egan R, Athwalhl ID, Chou C, Emtage s(1995) Inhibition of pulmonary eosinophilia and hyperreactivity by antibodies te interleukin-5. Int Arch Allergy Immunol 107:321-322
Eggleston F, Rosenstein B, Stackhouse C (1988) Airway hyperreactivity in cystic fibrosis : clinical correlates and possible effects en the course of the disease. Chest 94:360-365
Elwood R, Johnson A, Abboud R (1981) Pulmonary function and bronchial reactivity in survivors of smoke inhalation. Am Rev Respir Ohs 123:77
Fekety R (1994) Infection and chronic fatigue syndrome. In: Straus S (ed) Chronic fatigue syndrome. Marcel Dekker, pp 101-179
Fink J, Schlucter ID, Barboriak J(1987) Passive transfer of methacholine sensitivity from man te monkey. J Allergy Clin Immunol 79:427-432
Freedman P, Ault B (1981) Bronchial hyperreactivity te methacholine in fanner's lung disease. J Allergy Clin Immunol 67:59-63
Fukuda K, Straus S, Hickie I(1994) The chronic fatigue syndrome : A comprehensive approach te its definition and study. Ann Intern Med 121:953-959
Ganty N, Holmes GP (1989) Treatment of patients with chronic fatigue syndrome. Drugs 38:855-862
Giffon E, Orehek J, Vervloet D (1987) Asthma without airway hyperresponsiveness te carbachol. Eur J Respir Dis 70:229-233
Givan ID, Scott F, Jeglum E, Eigen H (1981) Long fuction and airway reactivity of children 3 to 10 years after foreign body aspiration. Am Rev Respir Dis 123:158
Gurwitz ID, Corey M, Levison H (1980) Pulmonary function and bronchial reactivity in children after group. Am Rev Respir Dis 122:95-99
Haluszka J, Scislicki A (1975) Bronchial lability in children suffering some diseases of the bronchi. Respiration 32:217-226
Hargreave F, Ryan G, Thomson N (1981) Bronchial responsiveness te histamine or nuethacholine in asthma: measurement and clinical significance. Allergy Clin Immunol 68:347-355
Heijmans, M. Cognitive representations of chronic disease. An empirical study among patients with chronic fatigue syndrome and addisen's disease. 1998. Universiteit Utrecht. (GENERIC) Ref Type: Thesis/Dissertation
Hellstrand K, Hermodsson S (1989) Interleukine-2 can induce suppression of human natural killer cell cytotoxicity. Clin Exp Immunol 77:410-416
Hellstrdm K, Hermodsson 5 (1992) Interleukin-2 can induce suppression of human natural killer cell cytotoxicity. Science 255:1726-1728
Herberman R (1991) Sources of confounding in immunologic data. Reviews of Inf Dis suppl l:S84-S86
Hilgers A, Frank 1(1994) Chronic fatigue syndrome : immune dysfunction, role of pathogens and toxic agents and neurologic and cardiacal changes. Wien Med Wochenschr 144:399-406
Hinds G (1993) A retrospective study of the chronic fatigue syndrome. Proc of the Royal Coll of Phys of Edinburgh 23:10-14
Ho-Yen ID (1991) General practitioners' experience of the chronic fatigue syndrome. Br J Gen Pract 41:324-326
Hogan M, Greenberger p (1997) Histamine. In: Barnes P, Grunstein M, Woolcock A (eds) Asthma. Lippencott-Raven, Philadelphia, pp 537-545
Holmes GP, Kaplan IF, Gantz NM (1988) Chronic fatigue syndrome : A working case definition. Ann Intern Med 108:387-389
Holmes GP, Kaplan JE, Stewart J, Hunti B, Pinsky F, Schonberger L (1987) A cluster of patients with a chronic mononucleosis-like syndrome is Epstein-Ban virus the cause ? J Am Med Assoc 257: 2297-2302
Jarjour N, Calhoun W, Schwartz L, Busse W (1991) Elevated bronchoalveolar lavage nu id histamine levels in allergie asthmatics are associated with increased airway obstruction. Am Rev Respir Ohs 144: 83-87
Jones J, Ray C, Minnich L, Hicks M, Kibler R, Lucus ID (1985) Evidence for active Epstein-Barr virus infection in patients with persistent, unexplained illnesses : elevated anti-early antigen antibodies. Ann Intern Med 102:1-7
Keller R, Lane J, Klimas N (1994) Association between HLA class II antigens and the chronic immune dysfunction syndrome. Gun Infect Dis 18:154-156
Kent-Braun J, Sharma K, Weiner M (1993) Central basis of muscle fatigue in chronic fatigue syndrome. Neurology 43:125-131
Klimas N, Salvato F, Morgan R, Fletcher M (1990) Immunologic abnormalities in chronic fatigue syndrome. J Clin Microbiol 28:1403-1410
Komaroff A (1992) A review of myalgic encephalomyelitis/chronic fatigue immune dysfunction syndrome/post-viral fatigue syndrome in America. In: Anonymous The clinical and scientific basis of ME/CES. pp 228-234
Kraneveld A, Folkerts C.. Van Oosterhout A, Nijkamp F (1997) Airway hyperresponsiveness : first eosinophils and then neuropeptides. Int J Immunopharmacol 19:517-527
Laitinen L, Kokkola K (1974) Bronchial reactivity te histamine in pulmonary tuberculosis. Scand J Respir Dis 89:201-205
Landay A, Jessop C, Lennette 13, Levy JA (1991) Chronic fatigue syndrome: clinical condition associated with immune activation. Lancet 338:707-7 12
Lever A, Lewis D, Bannister B, Fry M, Berry N (1988) Interferon production in postviral fatigue syndrome. Lancet 2:101
Levy IA (1991) Viral studies of chronic fatigue syndrome: introduction. Clin Infect Dis 18:117-120
Lloyd A, Gandevia 5, Brockman A (1994) Cytokine production and fatigue in patients with chronic fatigue syndrome and healthy control subjects in response te exercise. Clin Infect Dis 18:142-146
Lloyd A, Hickie I, Hickie C, Dwyer I, Wakefield D (1992) Cell-mediated immunity in patients with chronic fatigue syndrome, healthy control subjects and patients with major depression. Clin Exp Immunol 87:76-79
Lloyd A, Wakefield D, Bougthon C (1988) What is myalgic encephalomyclitis ? Lancet 1286-1287
Lloyd A, Wakefield D, Bougthon C, Dwyer 11(1989) Immunologic abnormalities in the chronic fatigue syndrome. Med J Aust 151:122-124
Lloyd A, Wakefield Li, Hickie C(1993) Immunity and the pathophysiology of chronic fatigue syndrome. CFS Ciba Fond Symp 176-192
Lotvall I, Inman M, OByrne P (1998) Measurements of airway hyperresponsiveness : new considerations. Thorax 53:419-424
Mawle A, Nisenbaum R, Donnibs 1(1997) Immune responses associated with chronic fatigue syndrome A case control-study. J Inf Dis 175:136-141
Mayberg H (1996) Functional neuroimaging in CFS : Applications and limitations. In: Klimas N, Patarca R (eds) Clinical management of CFS. The Haword Medical Press, pp 9
McFadden E (1997) Airway Function : Regulation by physical factors. In: Crystal R, West I (eds) The Lung. Lippencott-Raven, Philadelphia, pp 1333-1344
Miller N, Carmichael H, Hall F (1991) Antibody te coxsackie B vims in diagnosing post viral fatigue syndrome. Br Med 1302:140-143
Mitchell I, Corey M, Woenne R (1978) Bronchial hyperreactivity in cystic fibrosis and asthma. J Pediatr 5:744-748
Montague T, Manic T, klassen T (1988) Cardiac effects of common viral illnesses. Chest 94:919-925
Morrison L. Behan W, Behan P (1991) Changes in natural killer cell fenotype in patients with post-viral fatigue syndrome. Clin Exp Immunol 83:441-446
Mowbray IF, Yousef GE (1991) Immunology of posiviral fatigue syndrome. Br Med Bull 47:886-894
Nakazawa K, Sezikawa K, orikawa M (1994) Viral respiratory infection causes airway hyperresponsiveness and decreases histamine N-methyltransferase activity in guinea pigs. Am J Respir Crit Care Med 149:1180- [185
O'Byrne F, Walters E, Gold B (1984) Neutrophil depletion inhibits airway hyperresponsiveness induced by ozone exposure. Am Rev Respir Dis 130:214-219
Oh C, Nakano K (1988) Inhibition by glucocorticoids of mitogen-dependent histamine biosynthesis caused by histidine decarboxylase in cultured mouse spleen cells and peritoneal adherent cells. Immunology 65:433-436
Okayama M, Yamauchi K, Sezikawa K (1995) Localization of histamine N-methyltransferase messenger RNA in human nasal mucosa. J Allergy Clin Immunol 95:96-102
Pang J. Chan H, Sung J (1989) Prevalence of asthma, atopy, and bronchial hyperreactiviry in bronchiectasis. Thorax 44:948-95 1
Patarca R Klimas N, Garcia M, Walters M, Dombroski D, Pons H, Fletcher M (1995) Dysregulated expression of soluble immune mediator receptors in a subset of patients with chronic fatigue syndrome. J Chron Fat Synd 1:81-96
Pauwels R, Joos G, Van Der Straeten M (1988) Bronchial hyperresponsiveness is not bronchial hyperresponsiveness is not bronchial asthma. Clin Allergy 18:317-321
Pilewski J, Albelda S (1995) Cell adhesion molecules in asthma : homing, activation, and airway remodeling. Am I Respir Cell Mol Biol 12:1-3
Rabe KF (1998) Mechanisms of immune sensitization of human bronchus. Am I Respir Crit Care Med 158:161-170
Ramsdale E, Morris M, Roberts 5, Hargreave F (1984) Bronchial responsiveness te methacholine in chronic bronchitis: relationship to airflow obstruction and cold air responsiveness. Thorax 39:912-918
Ramsdale F, Roberts 5, Morris M, Hargreave F (1985) Differences in responsiveness to hyperventilation and methacholine in asthma and chronic bronchitis. Thorax 40:422-426
Read R, Spickett 0, Harvey I, Edwards A, Larson H (1988) IgG1 subclass deficiency in patients with chronic fatigue syndrome. Lancet 1:241-242
Remick DO, Friedland IS (1997) Cytokines in health and disease, 2 edn. Marcel Dekker, New York
Roth MD (1994) Interleukin-2 induces the expression of C045R0 and the memory phenotype by CD45RA+ peripheral blood lympocytes. J Exp Med 179:857-864
Rozenberg GA, Appenzellero 0(1988) Amantadine, fatique and multiple sclerosis. Arch Neurol 45:1104-1106
Salome C, Peat J, Britton 1 (1982) Bronchial hyperresponsiveness in two populations of Australian schoolchildren. Clin Allergy 17:271-281
Salvato, P. & Thompson, C. An open study of OF-lEA in chronic fatigue syndrome. Am Ass for chron fat synd 1996. (GENERIC) Ref Type: Conference Proceeding
Sears M, Burrows B, Flannery E, Herbison 0, Hewitt C, Holdaway M (1991) Relation het ween airway responsiveness and serum IgE in children with asthma and in apparently normal children. N Engl J Med 325:1067-1071
Sears M, Burrows B, Herbison 0, Holdaway M, Plannery F (1993) Atopy in childhood. Relationship to airway responsiveness, hay fever and asthma. Clin Exp Allergy 23:949-956
Shepard C (1989) Myalgic encephalomyclitis-is it a real disease? The Practioner 233:41-46
Simpson 0, Goodman M, Spector S, Petty T (1978) Long-term follow-up and bronchial reactivity testing In survivors of the adult respiratory distress syndrome. Am Rev Respir Dis 117:449-454
Sisto S, Tapp W, Diastal S (1995) Vagal tone is reduced during paced breathing in patients with the chronic fatigue syndrome Clin Autonom Res 5:139-143
Smith C, Anderson S (1989) Inhalation provocation tests using nonisotonic aerosols. J Allergy Clin Immunol 84:781-790
Snorrason B, Geirsson A, Stefansson K (1996) Trial of a selective acetyicholinesterase inhibitor, galanthamine hydrobromide, in the treatment of chronic fatigue syndrome. J Chron Fat Synd 2:35-54
Stanescu 0, Frans A (1982) Bronchial asthma without increased airway reactivity. Fur J Respir Dis 63:5-12
Straus S (1993a) Studies of herpesinfection in chronic fatigue syndrome. CFS Ciba Fond Symp 132-145
Straus S, Fritz S, Gould B, Strober W (1993b) Lymphocyte phenotype and function in the chronic fatigue syndrome. J Clin immunol 13:30-40
Straus SE, Dale J, Tobi M (1988) Acyclovir treatment of the chronic fatigue syndrome. N EngI J Med 319:1692-1698
Suhadolnik R, Flick M, Mosca L (1983) 2,5-Oligoadenylate Synthetase from cutaneous T-cell lymphoma: biosynthesis, identification, quantitation, molecular size of the 2',5-Oligoadenylates, and inhibition of protein synthesis. Biochemistry 22:4153-4158
Suhadolnik R, Peterson 0, O'Brien K (1997) Evidence for a novel low molecular weight RNaseL in chronic fatigue syndrome. J of interf and cytok research 17:377-385
Suhadolnik RJ, Peterson OL, O'Brien K, Cheney PR (1997) Biochemical evidence for a novel low molecular weight 2-SA-dependent RNase L in chronic fatigue syndrome. J of Interferon and Cytokine Research 17:377-385
Tiffeneau R (1958) Hypersensibilitd cholinergo-histaminique pulmonaire de lasthmatique. Acta Allergol 5: 187-221
Tiffeneau R, Beauvallet M (1945) Epreuve de bronchoconstriction et de bronchodilation par aerosols. Bull Acad med 129:165-168
Tirelli U, Marotta 0, Improta 5, Pinto A (1994) Immunologic abnormalities in patients with chronic fatigue syndrome. Scand J Immunol 40:601-608
Tirelli U, Tavio M, Pinto A (1995) Immunologic abnormalities in chronic fatigue syndrome. Proceeding of the First World congress en chronic fatigue syndrome and related disorders,Brussels,Belgium
Turner OJ, Martin IG (1997) Animal Models. In: Barnes P, Grunstein M, Leff A, Woolcock A (eds) Asthma. Lippincott-Raven, Philadelphia, pp 261-274
Van Oosterhout A, Ladenius A, Savelkoul H, Van Ark I (1993) Effect of anti-IL-5 and IL-5 en airway hyperreactivity and eosinophils in guinea pigs. Am Rev Respir Dis 147:548-552
Watanabe A, Mishima H, Renzi P Xu L, Hamid Q, Martin J(1995) Transfer of allergie airway responses with antigen-primed CD4+ but not CD8+ T cells in Brown Norway rats. J Clin Invest 96:1303-1310
Watson PL, Snapper JR (1997) Platelet-Activating Factor and its implications. In: Barnes P. Grunstein M, Leff A, Woolcock A (eds) Asthma. Lippincott-Raven, Philadelphia, pp 567-575
Watson W, McCreath C, Chaudhuri A, Behan P (1997) Possible cell membrane transport defect in chronic fatigue syndrome. J Chron Pat Synd 3:1-14
Wessely S, Chalder T, Hirsch S, Pawlikowska T, Wallace P, Wright D (1995) Postinfectious fatigue prospective cohort study in primary care. Lancet 345:1333-1338
Wong R, Lopaschuk C, Zhu 0 (1992) Skeletal muscle metabolism in the chronic fatigue syndrome. Chest 102:1716-1722
Woolcock A, Peat I, Salome C (1987) Prevalence of bronchial hyperresponsiveness and asthma in a rural adult population. Thorax 42:361-368
Yan K, Salome C, Woolcock A (1983) Rapid method for measurement of bronchial responsiveness. Thorax 38:760-765
----[ EOF ]---------------------------[ LICENTI.004 ]-------------------
Ga terug
|